Bestaande cameraprojecten worden volgens een vaste systematiek beoordeeld. De afweging wordt in twee fasen gemaakt. In de eerste fase van de afweging wordt het cameraproject op de volgende indicatoren gescoord:

1. De ontwikkeling van de veiligheid in het cameragebied.

2. Het gebruik van camera’s en camerabeelden.

Zijn er nog steeds veel incidenten en wordt daar een adequaat gebruik van cameratoezicht tegenover gezet (twee keer het lichte blok), dan staat de proportionaliteit van cameratoezicht vast. Is dat niet het geval, dan worden in de tweede fase van de afweging nog twee indicatoren betrokken:

3. De verwachte ontwikkeling van de veiligheid in het cameragebied.

4. De ontwikkeling van veiligheidsgevoelens in het cameragebied.

Op grond van deze methodiek volgt een afgewogen advies over het al dan niet continueren van een cameraproject.

Fase 1) Wat is het huidige niveau van objectieve veiligheid?

1 | Er zijn nog steeds veel incidenten | Er zijn weinig of minder incidenten

2) Hoe wordt cameratoezicht door politie en justitie toegepast en gebruikt?

1 | Waargenomen incidenten zijn veel opgevolgd | Waargenomen incidenten zijn weinig tot niet opgevolgd

  • - 3) Welke waarde heeft cameratoezicht in de beleving?

2 | Effect op subjectieve veiligheid is aanwezig | Effect op de subjectieve veiligheid is beperkt

-

  • - 4) Wordt verslechtering verwacht bij verwijdering cameratoezicht?

2 | Ja, waarom wordt er verslechtering verwacht | Nee, waarom wordt er geen verslechtering verwacht

-