Historische bronnen geven ons informatie over plekken in het Oost-Nederlandse landschap waar in de afgelopen eeuwen, soms zelfs tot 1200 jaar terug, gewoond en gewerkt werd.14Van Beek, 2009 Vanuit die optiek vinden we het vanzelfsprekend dat ook deze bronnen, zoals kaarten, gebruikt worden bij het opstellen van archeologische waarden- en verwachtingskaarten. Hoe gedetailleerder de informatie is, hoe beter deze op een gemeentelijk schaalniveau bruikbaar is. Primaire bron voor het karteren van deze informatie over historische bewoningslocaties is dan ook het gedetailleerde kadastraal minuutplan uit 1832, getekend op een schaal variërend van 1:1250 voor kernen, 1:2500 voor agrarisch gebied tot 1:5000 voor heidegebieden.15Kadastrale minuutplans werden, afhankelijk van het afgebeelde gebied, vervaardigd op schaal 1:1250 (kernen), 1:2500 (agrarisch gebied) of 1:5000 (woeste gronden). Alle bewoningslocaties die op deze kaart staan weergegeven, zijn overgenomen op kaart en in de bijbehorende GIS-database. Daarbij hebben we in principe voor elk afgebeeld gebouw een afzonderlijke punt geplaatst, tenzij het gaat om zeer kleine bijgebouwen die vrijwel tegen het hoofdgebouw stonden geplaatst. De gebouwen zijn in meerdere typen ingedeeld, zoals ‘boerderij of woonhuis’, ‘schuur en/of schaapskooi’, ‘kerk’, ‘pastorie’ en ‘school’. Verreweg het merendeel van de gebouwen betreft boerderijen, soms geflankeerd door één of meerdere bijgebouwen.

Een bijzonder fenomeen in Berkelland is dat de kadastrale opmeter in delen van Eibergen en Beltrum niet alleen gebouwen heeft gekarteerd, maar met een klein blauw vlekje ook waterputten in kaart heeft gebracht. Deze hebben we eveneens gekarteerd waar deze werden aangetroffen. Hetzelfde geldt voor grenspalen, grensstenen en zandhopen, alhoewel duidelijk is dat deze lang niet altijd als zodanig op het kadastraal minuutplan zijn aangeduid en deze laag daarmee nog incompleet zal zijn.