Inhoudelijke vereffening

Voor de nieuwe kartering zijn de begrenzingen en kaartclassificaties van de bestaande detailkarteringen integraal overgenomen en via een conversiemodel vertaald naar de nieuwe regionale legenda-eenheden. Dit model is besproken met de regioarcheoloog en voorziet in een inhoudelijke en ruimtelijke vereffening van de verschillende archeologische waarden- en verwachtingenkaarten binnen de Regio Achterhoek. Het regionale karteringsmodel betreft een getrapt systeem van landschapsbeschrijving. De hoofdgroep betreft de dominante vormende kracht in het landschap, zoals windwerking (hoofdcode E), gletsjerwerking (G), tektoniek (opheffing, T) etc. Daarna volgt op een lager abstractieniveau de terreinsoort (b: beekdallandschap; d:dekzandlandschap; g: grondmorenelandschap etc.),gevolgd door de terreinvorm (r: rug, w: welving, v:vlakte, etc.). In het model wordt daarna via een numerieke code aangegeven wat zowel de toegekende archeologische verwachtingswaarde (verwachte dichtheid aan archeologische resten) áls de mogelijke diepteligging van de top van het archeologische niveau is (zie daartoe tabel 3). Als laatste wordt het bodemtype aangegeven(figuur 4). Deze classificatie is opgenomen in kaartbijlage 2 als kaartcode binnen de afzonderlijke kaartvlakken (bijvoorbeeld Edl9e: dekzandlaagten met natte zandeerdgronden en een lage verwachte dichtheid aan archeologische resten in de bovenste 30 cm van de bodem).

Er is in overleg met de regioarcheoloog besloten om in het aangeleverde GIS-bestand [BLBA3_vw_0814] zowel de originele bodemkundige karteringseenheden (inclusief de omschrijving) op te nemen, als de conversie-eenheden (zie tabel 4). Het primaire doel van de erfgoedkaarten is het begrenzen van archeologische verwachtingszones. De nieuwe kaarteenheden (tabel 4: Terreinvorm10, Terreinvorm25) hebben dan ook voornamelijk een archeolandschappelijke betekenis. Achterliggende informatie is echter behouden en kan naar wens worden gebruikt voor andersoortige kaarten (figuur 2). Zie verder tabel 4 voor het datamodel en de verzamelde gegevens.

Datastructuur

RAAP hanteert voor zijn vlakdekkende landschapskarteringen een eigen karteringsmodel dat zowel geomorfologische als bodemkundige eigenschappen combineert met archeologische verwachtingen in een zogenaamde profieltypenkaart (zie hierboven en tabel 3). De profieltypen doen een uitspraak over de verwachte diepteligging van het archeologisch niveau en de mate van conservering (tabel 3).

profieltype

verwachte dichtheid aan archeologische resten en mate van conservering

11

zeer hoog, historische nederzettingslocatie (stads- of dorpskern, kasteelterrein etc.)

1

hoog + conserverend dek > 50 cm

2

hoog + conserverend dek 30-50 cm

3

hoog, zonder conserverend dek

4

middelmatig + conserverend dek > 50 cm

5

middelmatig + conserverend dek 30-50 cm

6

middelmatig, zonder conserverend dek

7

laag + conserverend dek > 50 cm

8

laag + conserverend dek 30-50 cm

9

laag, zonder conserverend dek

12

laag, specifieke verwachtingswaarde voor natte landschappen

14

zeer hoog, waterpartijen bij historische nederzettingslocatie (gracht, vijver, etc.)

15

water, onbekende archeologische verwachting

Tabel 3. Profieltypen voor de archeologische verwachtingswaarden (verwachting en dikte van een eventuele conserverende laag naar klassen: 0-30; 30-50; > 50 cm).

Daarnaast is in de GIS-tabellen andersoortige informatie geregistreerd zoals de bodem- en geomorfologische typeringen die gebruikt worden voor landelijke kaartseries en voor de diverse bodemkarteringen. Zie verder onderstaande tabel 4 voor het datamodel en de verzamelde gegevens. Met behulp van dit vlakkenbestand zijn meerdere thematische kaarten (aardkundige eenheden, verwachtingen, bodemeenheden, hoofdlandschappen) te genereren op verschillende kaartschalen.

Attribuutnaam

Attribuutwaarde /-verklaring

ID

Uniek numeriek identificatienummer, koppel-ID

ID10

Numeriek identificatienummer voor de 1:10.000 polygonen

COD10

Samengestelde kaartcode voor 1:10.000 polygonen. Zie kaartbijlage 2

Terreinvorm10

Typering van de terreinvorm, zoals ‘dalvormige laagte’

Bijzonderheid10

Bijzonderheden, zoals ‘met kleidek’ of ‘gracht’

BOD10

Originele legendacode van de gebruikte detailbodemkartering

BOD10Type

Niet ingevuld

BOD10Conversie

Niet ingevuld

BronPolygoon

Bron waaruit de polygoon overgenomen is

ID25

Numeriek identificatienummer voor de 1:25.000 polygonen (kaartbijlage 1)

COD25

Lettercode voor 1:25.000 polygonen. Zie legenda bij kaartbijlage 2

Terreinvorm25

Algemene typering van de aard van de terreinvorm (kaartbijlage 1)

Landschap

Fysisch Geografisch hoofdlandschap (figuur 2)

Profieltype

Verwachtingsprofiel volgens tabel 3 (kaartbijlage 2)

VW_omschrijf

Tekstveld, verwachte dichtheid en kwetsbaarheid

GKN50

Niet ingevuld

NEBO50

Dominant bodemtype (Schelling 1949/Schelling& Bakker 1966)

BELEIDSZONE

Aanduiding beleidscategorie

BELEID

Uitgangspunten archeologiebeleid (incl. onderzoeksverplichting)

Oppervlakte

Oppervlakte van polygoon in vierkante meter

Tabel 4. Tabelstructuur van het fysisch-geografisch basisbestand BLBA3_vw_0814. In vet de attributen waarop de vlakken voor de aangegeven kaarten en figuren zijn gethematiseerd. Gecursiveerd en onderstreept de attributen die voor de betreffende kaartlabels zijn gebruikt.