In het zuidelijk deel van de voormalige gemeente Ruurlo bevinden zich grootschalige broekontginningen die daar in de eerste helft van de 19e eeuw zijn gestart (figuur 3.33). Het Ruurlose Broek, vanouds het Synwede genoemd, hoorde vanouds niet tot een marke, maar viel toe aan de landsheer.45Keunen, manuscript Net als bijvoorbeeld het Nederrijkswoud bij Groesbeek en de Moft bij Wageningen was het Ruurlose Broek een zogenaamd domeinbos. Na de hervorming van de Gelderse overheid na de overgang naar Karel V in 1543 viel het Broek onder beheer van de Gelderse Rekenkamer. Houtvesters hielden namens de Rekenkamer een oogje in het zeil.
De inwoners van Ruurlo hadden er specifieke gebruiksrechten. Zij mochten er in 1524 plaggen en heide maaien alsmede hout uit het hele Zieuwent halen.46Gelders Archief, archief Marken en maalschappen, doosnr. 119, dossiernr. 2 Daarnaast hadden andere inwoners van de heerlijkheid Borculo er gebruiksrechten tegen betaling van een tyns en enkele particulieren hadden er een stuk grond in erfpacht.47Gelders Archief, archief Gelderse Rekenkamer, inventarisnummer 1152 De erfgenamen van Ruurlo zorgden er regelmatig voor dat ongenode gasten uit omringende dorpen uit het Broek verwijderd werden.48Keunen, manuscript Herhaaldelijk waren er bovendien kwesties over de grenzen tussen het Ruurlose Broek en de marke van Ruurlo.49Gelders Archief, archief Gelderse Rekenkamer, inventarisnummer 1151, d.d. 1718-1719 Over het uiterlijk van dit broekgebied vóór de ontginning zijn we geïnformeerd door een groot aantal archiefstukken. In de natte delen stond vermoedelijk elzenbroekbos, op de hogere zandkoppen stonden onder meer appelbomen, hulst en jeneverbes. Het bos moet al in de 15e eeuw relatief open geweest zijn, want uit die periode dateren vermeldingen van wilde paarden. Verder naar het zuiden lag hoogveen. In 1601 werd het water al ontwaterd door de gegraven bovenloop van de Baakse beek.50Keunen, manuscript
Na de integratie van Gelderland in het Koninkrijk der Nederland was het Broek in handen van de Domeinen. Die verdeelden het in de vroege 19e eeuw, waarna het kon worden ingericht. Kenmerkend voor het gebied zijn lange wegen op een smal zandbed, die hier dijken worden genoemd. De dijken werden door dwarswegen met elkaar verbonden. Langs de wegen werden bomen aangeplant en op de perceelsranden verrees aanvankelijk ook nog opgaand hout. De daadwerkelijke ontginning zou tot in de 20e eeuw duren. Gaandeweg nam ook het aantal boerderijen in het gebied toe, tot in een dichtheid zoals we die nu nog kennen. Gebruik als grasland had de nadruk, onder meer vanwege de natte condities.
De landschappelijke hoofdstructuur is in belangrijke mate nog intact. Weliswaar is een belangrijk deel van de kavelbeplanting verdwenen, maar toch zijn daar hier en daar nog wel relicten van te vinden.