Algemene ambitie
Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. In de klimaatadaptatiestrategie is de ambitie opgenomen dat “Delft niet warmer wordt dan in 2018”. Uiteraard vindt de mondiale opwarming ook plaats in Delft, maar het streven is de toename van hitte in de stad zoveel mogelijk te beperken. Het gaat daarbij zowel om een aanvaardbare nachttemperatuur in gebouwen (uitgedrukt in aantal tropische nachten met een temperatuur ≥ 20°C) als in de openbare ruimte (uitgedrukt in gevoelstemperatuur PET).
Concreet betekent dat dat we ons best doen om het zogenoemde Urban Heat Island (UHI) niet groter te laten worden. Zo blijft Delft ook bij stijgende temperaturen in de toekomst een aangename stad. Hiervoor zijn maatregelen nodig in zowel de bestaande stad als bij herstructurering en nieuwbouw. Daarnaast wil Delft dat er voldoende koele(re) plekken aanwezig en goed bereikbaar zijn: dus een koele plek in de nabijheid van iedere woning in de stad en dus ook bij nieuwbouw. De route van woningen naar deze koele plekken hebben voldoende schaduw door groen en/of bebouwing.
Om de warmte-accumulatie in de stad te beperken wordt ernaar gestreefd zo min mogelijk oppervlak te verharden (zowel op percelen van derden als in de openbare ruimte) waardoor er (zoveel mogelijk) water opgenomen kan worden, dat door een bij voorkeur groene inrichting/beplanting weer verdampt.
Ontwerpprincipes:
Meer schaduw (maak bereikbare, schaduwrijke routes en plekken)
Voorkom warmteaccumulatie door het realiseren van open plekken
Voorkom dat koelsystemen de (verblijfs)ruimte in directe omgeving opwarmt, alsmede verkeer en andere installaties
Bevorder de ventilatie in gebouwen en luchtdoorstroming tussen gebouwen
Maak gevels en openbare ruimte met materialen die minder opwarmen
Zorg voor verkoeling door meer groen/water.
Voorkom luchtverontreiniging door schone energie
In de afweging prevaleren ‘Groene Oplossingen’ boven technische oplossingen mede vanwege de meerwaarde voor bijvoorbeeld de biodiversiteit en het opnemen van CO2.
Om groen ook in de drogere zomerperiode te kunnen laten functioneren is voldoende watervoorraad nodig (“stad als spons”). Algemeen principe is daarom: Groen, tenzij!
Uitgangspunten
Gebiedsniveau
Zorg voor verkoeling door meer groen/oppervlakte water: Stedelijk groen, zoals bomen, struiken en lage beplanting, dat goed is voorzien van water in de bodem, koelt de stad. Bij de verdamping van water verbruiken planten warmte, wat leidt tot verkoeling van de omgeving. Bijkomend effect is dat door het waarnemen/zien van groen op ooghoogte hitte subjectief als minder belastend ervaren. Zorg daarom ook voor groen op verschillende hoogtes zoals bijvoorbeeld door het toepassen gevelgroen en klimplanten.
Bij herinrichting/nieuwbouw van stedelijk groen is voldoende water in de bodem gewaarborgd, door maatregelen voor aanvullende watervoorzieningen.
Daarnaast bieden waterfonteinen, verneveling en stromend water verkoeling door extra verdamping. Zorg bij stilstaand water voor schaduw op het water, zodat het minder opwarmt. Voldoende doorstroming en voldoende diepe watergangen zijn belangrijk om opwarming/ uitstraling van het water op de omgeving te voorkomen. Afstemming met de plaatsing van en type bomen is hier voor de waterkwaliteit (bladval levert ongewenste bagger op) wel van belang.
Voorkom warmte-accumulatie in de openbare ruimte: De keuze van materialen voorkomt warmte-accumulatie. Gebruik materialen met een hoge Albedo-factor (reflectiefactor van een materiaal) en een lage absorptie-waarde (minder warmtevasthoudende materialen, zoals bijv. hout). Massa, kleur en textuur zijn daarbij van invloed op de opname en afgifte/ uitstraling van warmte. Hoe meer massa, hoe meer warmteopslag en hoe langer de periode is van uitstralen in de nachtelijke afkoelingsperiode is. Uitgangspunt bij nieuwbouw is dat 50% van alle oppervlakten in het stedelijk gebied warmte-werend of verkoelend wordt ingericht en gebouwd.
Perceel-/gebouwniveau
Voorkom warmte-accumulatie op gebouw-/perceelniveau: De keuze van materialen voorkomt warmte-accumulatie. Gebruik materialen met een hoge Albedo-factor (reflectiefactor van een materiaal) en een lage absorptie-waarde (minder warmtevasthoudende materialen, zoals bijv. hout). Massa, kleur en textuur is daarbij van invloed op de opname en afgifte/ uitstraling van warmte. Hoe meer massa hoe meer warmteopslag en hoe langer de periode is van uitstralen in de nachtelijke afkoelingsperiode is. Uitgangspunt is dat 50% van alle oppervlakten op het perceel warmte-werend of verkoelend wordt ingericht en gebouwd.
Beleidsregels Hitte
Gebiedsniveau
Als eis geldt een mix aan schaduw (40%), zon (40%) en halfschaduw (20%)8 Kluck, J., E.J. Klok, A. Solcerová, L. Kleerekoper, L.I. Wilschut, C.M.J. Jacobs en R. Loeve (2020a.). De hittebestendige stad: Een koele kijk op de inrichting van de buitenruimte. Hogeschool van Amsterdam, Faculteit Techniek, Onderzoeksprogramma Urban Technology, om ook in het voor- en najaar en voor verschillende doelgroepen (bewoners, gebruiker) in de zomer bij de hoogste zonnestand prettige plekken in de openbare ruimte te bieden
Vanuit iedere woning is binnen 300 meter afstand een groene, schaduwrijke plek in de stedelijke ruimte van tenminste 200 m² aanwezig³ (parken, pocketparkjes, stedelijke bossen).
Deze plekken zijn op hete dagen via koele routes voor de verschillende doelgroepen goed bereikbaar³.
Belangrijk daarbij zijn gezonde bomen. Essentieel voor het goed functioneren van bomen zijn: 1. de soortenkeuze (toekomstbestendige soorten); 2. goede (ondergrondse en bovengrondse) groeiomstandigheden; en 3. beschikbaarheid van water in goede grond of via irrigatie.
Zorg voor maatregelen voor hittebestendige hoofdinfrastructuur en andere nutsvoorzieningen, zoals waterleidingen, elektriciteit etc.
Perceel-/gebouwniveau
Op een perceel wordt intensief9 Intensief groen is ten opzichte van extensief groen gevarieerder, verdampt meer water en heeft meerwaarde voor de biodiversiteit. Bij daktuinen is dit verschil redelijk ingeburgerd, al bestaan er veel verschillende benamingen. Om dit toetsbaar te maken is een uitwerking van deze spelregel gemaakt, die in de bijlage is opgenomen. groen gerealiseerd met een omvang van ten minste 50% van het oppervlak van dat perceel; (dak)tuinen en/of groene gevels tellen mee voor het totale groenoppervlak. 10 Bij herstructurering kan het minimale percentage groen hoger liggen als in de bestaande situatie al meer dan 50% groen op een kavel aanwezig is.
Voor daktuinen en dergelijke (waarbij het groen geen toegang heeft tot het grondwater) wordt 200 liter water per m² groen vastgehouden 11 De 200 liter/m2 groen is bepaald op basis van de verdamping in twee zomermaanden, er vanuit gaande dat er geen regen valt. In de praktijk moet blijken of dit voor de verschillende groeninrichtingen de juist maat is.. Dit is in theorie voldoende voorraad voor 2 droge warme maanden. Het groen heeft daarmee een ook meerwaarde voor biodiversiteit. Voor groen op volle grond is door de eis van infiltratie van regenwater en afkoppelen van verharde oppervlakten geborgd, dat voldoende water op het perceel wordt vastgehouden.
Van alle gevelvlakken wordt tenminste 40% warmtewerend uitgevoerd (Breaam 12 Breaam-NL heeft hiervoor gerichte criteria bepaald, die in Delft als eis zijn overgenomen, zie: https://richtlijn.breeam.nl/credit/thermisch-buitenklimaat-1044), groene oppervlakten vallen hier eveneens onder.
Koelsystemen van gebouwen leiden niet tot opwarming van de omliggende stad/omgeving. Door bijvoorbeeld passieve systemen of warmte-koudeopslag in de bodem kan deze opwarming voorkomen worden. Gebruik daarom geen airco’s, luchtwarmtepompen en vergelijkbare systemen, die in de zomer juist warmte aan de buitenlucht afgeven.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.3
Hitte
Onderdeel van Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering