Algemene ambitie
Langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale of kwetsbare functies. De inrichting van het plangebied wordt afgestemd op de verwachte grondwaterstanden in de winter en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Het principe van de “stad als spons” uit de strategie is leidend, zodat voldoende water wordt vastgehouden en geborgen om alle benodigde (groene) functies in het gebied ook in een droge zomerperiode van 2 maanden niet te laten verdorren.
Regenwater wordt daarom zoveel mogelijk op de plaats waar de regen valt vastgehouden en beschikbaar gemaakt voor het aanwezige groen6 In Delft is erop veel plaatsen zonder ingrepen sprake van klei- en veengronden en hoge grondwaterstanden. Actief inzetten op infiltratie van neerslag in de bodem kan veelal alleen na het vergroten van de infiltratiecapaciteit van de ondergrond. . Groen heeft immers belangrijke functie bij het reguleren van de warmte in de stad en natuurlijk voor een aantrekkelijk leefmilieu voor mens, plant en dier. Ook bodemdaling als gevolg van droogte wordt voorkomen en de aantasting van bestaande gebouwen en kunstwerken met een kwetsbare fundering.
Ontwerpprincipe:
Vasthouden/infiltreren: Kies voor groene oppervlakten/ waterdoorlatende maatregelen om regenwater vast te houden en tijdelijk te bergen (Beleidslijn Groen tenzij). Daarmee vul je het grondwater aan door infiltratie van hemelwater en ‘passief’ door op een natuurlijke manier water in de bodem te laten wegzakken.
Bergen: Regen- en oppervlaktewater kan ook actief op locatie vastgehouden worden, bijvoorbeeld door ondergrondse waterbuffering en waar mogelijk in de diepe ondergrond. Wensbeeld is om (regen)water dat lokaal is geborgen ook weer lokaal te gebruiken. Bijvoorbeeld: water dat geborgen wordt in bijvoorbeeld ondergrondse infiltratiekratten kan in tijden van droogte gebruikt worden voor irrigatie.
Accepteren/adapteren: Richt het gebied droogtebestendig in; pas bomen en beplanting toe die beter tegen langdurige droogte kunnen en zijn afgestemd op biodiversiteit. Essentieel voor het goed functioneren van de bomen zijn de soortenkeuze (toekomstbestendige soorten), goede groeiomstandigheden en de beschikbaarheid van water in de grond/irrigatie.
Uitgangspunten
Gebiedsniveau
Regenwater wordt zo veel mogelijk in het systeem vastgehouden, zodat er voor de beoogde verdamping door groen in vooral de zomerperiode, voldoende water beschikbaar is (“de stad is spons”). Het jaaroverschot aan regenwater (het verschil tussen regenval en verdamping) wordt niet afgewenteld op de omgeving maar bij voorkeur binnen het gebied hergebruikt.
De inrichting van het plangebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden in de winter en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte.
In het ontwerp wordt rekening gehouden met mogelijke droogte en dat schade aan bijvoorbeeld bouwwerken en beplanting voorkomen wordt. Dit betekent dat het uitzakken van het grondwaterpeil niet leidt tot extra bodemdaling, sterfte van (openbare) groenvoorzieningen en bomen.
Het bewateren met schaars drink- of oppervlaktewater is volstrekt ongewenst. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met beperkte beschikbaarheid van het oppervlaktewater tijdens droogte. Maatregelen als gestuurde drainage mogen alleen als hierbij de zoetwatervraag in droge periode niet toeneemt.
Gelet op het verdampingsoverschot in de zomer (meer verdamping dan regenval) moet door het treffen van maatregelen in een gebied het wateroverschot op jaarbasis worden benut. Daarmee wordt voorkomen dat in de warme, droge zomerperiode een tekort aan (regen)water ontstaat.
Perceelniveau
Regenwater wordt zoveel mogelijk op eigen terrein opgevangen, geborgen, (her)gebruikt en/of geïnfiltreerd (“stad is spons”). Hemelwaterafvoer van gebouwen wordt afgekoppeld en dus niet aangesloten op een riolering. Om voldoende water op te kunnen nemen wordt zo min mogelijk (gesloten) verharding toegepast en voorzieningen getroffen om het afgekoppelde water van gebouwen te infiltreren. Het water dat wordt vastgehouden komt daarmee ter beschikking van het groen op een perceel. Drinkwater mag niet voor besproeiing worden gebruikt.
Beleidsregels Droogte
Gebiedsniveau
90% van de jaarlijkse neerslag van 900 mm (dus 800 liter/m²) wordt in het gebied geïnfiltreerd, het percentage is afhankelijk van de bodemopbouw7 Het percentage van infiltratie moet nader worden bepaald op basis van de mogelijkheden die de ondergrond hiervoor biedt, met inbegrip van het bebouwingspercentage. Ook kan het nodig zijn de ondergrond te verbeteren ten behoeve van een betere infiltratie..
Er is 200 liter per m² beschikbaar in de 2 droge zomermaanden voor het aanwezige groen, zonder dat dit leidt tot het uitzakken van het grondwater.
In principe wordt deze 200 liter per m² behaald bij groen in de volle grond, uitgaande van voldoende infiltratie in het gebied.
Voor groen dat geen toegang heeft tot het grondwater moet dit in een bergingsmaatregel worden gerealiseerd.
Perceel-/gebouwniveau
Op perceelniveau wordt 90% van de jaarlijkse neerslag van 900 mm (dus 800 liter/m²)) geïnfiltreerd, het percentage is afhankelijk van de bodemopbouw en bebouwingspercentage.
Op perceel- c.q. gebouwniveau wordt 200 liter water per m² groen, welke geen toegang heeft tot het grondwater, in een bergingsmaatregel vastgehouden. Dit is in theorie voldoende voorraad voor 2 droge warme maanden.
De watervoorziening van het groen op het perceel is zodanig, dat er geen gebruik nodig is van drinkwater.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Droogte
Onderdeel van Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering