Naar hoofdinhoud

Artikel 4.

Toelichting op de voorwaarden voor uitbreiding van de veehouderijen

Onderdeel van Beleidsregel uitbreiding bedrijfserven met veehouderij

Ad 1: De beleidsregel richt zich op de mogelijkheid om uit te breiden binnen het erf van 2,5 ha, zoals aangegeven in het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’. Ad 2: Zoals onder punt 3 al is onderbouwd, willen we recht doen aan de diversiteit aan bedrijfsconcepten in de veehouderij en vooral kwalitatief sturen op verduurzaming van de sector. Dat kan goed met toepassing van de Maatlat duurzame veehouderij (MDV). Een Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stal is een veestal met een lagere milieubelasting, met maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij. Een MDV-stal voldoet aan strenge duurzaamheidseisen op de thema’s: ammoniakemissie, bedrijf & omgeving, diergezondheid, dierenwelzijn, fijn stof, brandveiligheid en klimaat. MDV is ontwikkeld voor de diercategorieën pluimvee (eenden, leghennen, vleeskalkoenen, vleeskuikens), konijnen, melkgeiten, melkvee, varkens, vleeskalveren en vleesvee. Voor deze veestallen zijn er maatregelen voor de volgende thema's: Ammoniakemissie: Stallen dienen voorzien te zijn van een ammoniakemissiereducerend systeem dat de emissie meer reduceert dan wettelijk verplicht wordt gesteld in Besluit Huisvesting. Bedrijf & omgeving: Dit thema is uitgewerkt in vier onderwerpen. Landschap is daarvan het belangrijkste. De andere zijn omgevingsgerichtheid, verstoring (geur, geluid, licht) en water. Brandveiligheid: Bij dit thema zijn de maatregelen gebaseerd op: preventie dat stalbrand ontstaat het bestrijden van een stalbrand de impact van een ontstane brand beperken Dierenwelzijn: In de stallen dienen maatregelen te zijn getroffen om het welzijn te verbeteren, bij de puntenwaardering voor de maatregelen is uitgegaan van de meerwaarde voor het dier. Diergezondheid: Bij dit thema zijn de maatregelen gebaseerd op drie uitgangspunten: preventie dat ziekten het bedrijf binnenkomen, verhinderen dat een ziekte zich binnen het bedrijf verspreidt en het verbeteren van de weerstand van het dier in de stal. Klimaat: De maatregelen dragen bij om CO2-uitstoot terug te dringen via energiebesparing en opwekking van duurzame energie ten behoeve van het eigen gebruik. Daarnaast zijn er maatregelen opgenomen die de uitstoot van broeikasgassen (methaan, lachgas) uit de stal verminderen. Het betreft maatregelen die uitgevoerd kunnen worden bij drijfmestsystemen. Fijnstof: De maatregelen zijn gericht op de emissiereductie van fijnstof naar het milieu en het verminderen van fijnstof in de dierverblijven. Mest en Mineralen (niveau A): Betreft het sluiten van mineralenkringlopen. Biodiversiteit (niveau A): Dit thema is gericht op het behoud van blijvend grasland. In de MDV zijn veel typen veehouderijen verwerkt, maar deze is niet uitputtend. Bovendien duurt het enige tijd voordat een nieuw staltype is opgenomen in MDV. Daarom is een uitzondering in de voorwaarden opgenomen, zodat innovatieve staltypen of een stal voor een diersoort dat (nog) niet is opgenomen in MDV ook binnen de voorwaarden past. MDV wordt beheerd door het onafhankelijke duurzaamheidsplatform SMK. SMK werkt al meer dan 25 jaar voor het bedrijfsleven aan het verduurzamen van producten en bedrijfsvoering. SMK doet dat samen met een uitgebreid netwerk van overheden, producenten, brancheorganisaties (zoals LTO), maatschappelijke organisaties, retailers, adviesbureaus, wetenschap en ketenpartijen. De drie SMK Colleges van Deskundigen stellen objectieve criteria vast voor duurzamere productie en bedrijfsvoering. Veestallen die in aanmerking willen komen voor het certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) worden door onafhankelijke certificatie-instellingen gecontroleerd op basis van het MDV-certificatieschema. Op die manier wordt MDV up to date gehouden. Voor meer informatie over MDV: https://www.maatlatduurzameveehouderij.nl/31/home.html Bij het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning dient initiatiefnemer een afschrift van het ontwerpcertificaat voor het stalontwerp te overleggen c.q. dat gebruik wordt gemaakt van een reeds gecertificeerde stal. In geval van een ontwerpcertificaat wordt bij omgevingsvergunning als voorwaarde gesteld, dat na oplevering (na maximaal 2 jaar) de definitieve certificering wordt aangeleverd. Bouwen in meer bouwlagen We hebben overwogen om ook de eis te stellen aan stallen dat niet gebouwd mag worden met meerdere vloeren waar dieren worden gehouden. Dit om ‘varkensflats’ en dergelijke te voorkomen. We hebben daar niet voor gekozen, omdat de eis van MDV voldoende waarborgt dat het om een duurzame stal gaat. Binnen MDV zijn overigens niet of nauwelijks dergelijke stallen met meer bouwlagen gecertificeerd. Ad 3: De belangrijkste aanleiding voor het opstellen van deze beleidsregel is, dat de uitbreidingsmogelijkheden niet in het bestemmingsplan meegenomen kunnen worden vanwege de effecten op het gebied van stikstof. Daarbij is van belang dat op bestemmingsplanniveau dan het principe geldt van ‘maximale planologische mogelijkheden’. Ofwel: je moet de stikstofeffecten van alle mogelijkheden in het bestemmingsplan bij elkaar optellen. En dan is er geen uitvoerbaar bestemmingsplan te maken. Op individuele basis zijn de mogelijkheden er wel om te zorgen dat er geen negatieve effecten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden. Dat kan door technische maatregelen, maar ook door externe saldering. Die zekerheid dat er geen negatieve effecten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden kan worden verkregen door aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een geldende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of van een positieve weigering op grond van deze wet of door voorafgaand aan de (omgevings)vergunningaanvraag eerst een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te verkrijgen. Om die reden is deze voorwaarde in de beleidsregel opgenomen. Ad 4 Voor deze voorwaarde is overwogen dat de verwachting is dat het aantal agrarische bedrijven (en dus ook veehouderijen) in de komende jaren zal afnemen, bijvoorbeeld vanwege de stikstofproblematiek. In dat licht is de kans op nieuwvestiging gering. En mocht er wel behoefte ontstaan, dan bieden vrijkomende erven waarschijnlijk voldoende mogelijkheden. Er zijn een aantal uitzonderingen geformuleerd, waarbij er eigenlijk geen sprake is van nieuwvestiging maar van verplaatsing, uitbreiding van een bestaand bedrijf op een andere locatie of herstart. Ad 5 De voorwaarde voor landschappelijke inpassing geldt ook voor erfvergrotingen bij andere agrarische bedrijven in het bestemmingsplan ‘Buitengebied (D4000)’. De regeling is daarmee vergelijkbaar. Voor een goede ontwikkeling van de erfsingelbeplanting, dient de minimale breedte 6,00 m te zijn en voorzien van een kruid-, struik- en boomlaag van inheemse soorten met gevarieerd assortiment (minimaal vijf soorten). Voor een doelmatige bedrijfsvoering, zoals voor ventilerende staltypen of vrije uitloopkippen, kan worden afgeweken van dit uitgangspunt. Door middel van bijvoorbeeld slimme soortenkeuze voor de landschappelijke inpassing kan erfsingelbeplanting ook bijdragen aan de biodiversiteit. Het gaat bij de landschappelijke inpassing dus niet alleen om het zicht op het erf, maar ook om bij te dragen aan de soortenrijkdom. Indien dit van meet af aan mee wordt ontworpen hoeft het niet kostbaarder te zijn. Het gaat om het nadenken of ook een bijdrage geleverd kan worden aan het versterken van de biodiversiteit. Ad 6 In de geest van de Omgevingswet zijn de voorwaarden 6 en 7 ingevuld. Daarbij is de gedachte dat bij een ontwikkeling ook nagedacht moet worden over het meekoppelen van opgaven bij een ontwikkeling. De energietransitie en de klimaatadaptatie zijn opgaven waaraan de komende jaren (verder) gewerkt moet worden. Daar waar er kansen liggen om daaraan bijdragen willen we deze benutten. Daarom hebben we deze expliciet benoemd. Overigens is in de Maatlat duurzame veehouderij ook het thema ‘Klimaat’ opgenomen. Daarin gaat het om energiebesparing en gebruik van duurzame energie. Indien een initiatiefnemer daarvan gebruik maakt via de Maatlat wordt daar voor wat betreft energietransitie al aan voldaan. Ook ten behoeve van klimaatadaptatie kunnen kleine bijdragen eenvoudig worden ingepast in de inrichting van het vergrote erf. Bijvoorbeeld verharding dat water goed laat inzijgen of een groen dak met begroeiing. Ad 7 Mede in het licht van de Omgevingswet vinden we het belangrijk dat bij de planontwikkeling van een uitbreiding van een veehouderij waar mogelijk rekening wordt gehouden met de mening van omwonenden. Het gaat er niet om dat er overeenstemming is met de buren, maar wel dat is kennisgenomen van de mening van omwonenden en is overwogen of eventuele wensen zijn in te passen in de ontwikkeling. Ad 8 Qua bouwmogelijkheden (bouwhoogtes, afstand tot erfgrens e.d.) moet vanzelfsprekend aangesloten worden bij de bouwregels uit het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’. Mocht het noodzakelijk zijn om afwijkende maten te hanteren om een duurzame stal te kunnen bouwen, dan is dat bespreekbaar.

Rechtspraak bij dit artikel