Om mee te kunnen werken aan de uitbreiding van een veehouderijbedrijf ten opzichte van de mogelijkheden in het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ gelden de volgende voorwaarden. Daarbij moet aan alle voorwaarden worden voldaan. In een onderbouwing bij de aanvraag omgevingsvergunning moet dit worden onderbouwd. In bijlage 2 hebben we de eisen aan de ruimtelijke onderbouwing opgenomen.
In de volgende paragraaf worden de voorwaarden nader toegelicht.
**1..** Uitbreiding vindt plaats binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied', zoals aangegeven binnen het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’.
**2..** Uitbreiding van bestaande veehouderijbedrijven is mogelijk indien het gaat om een duurzame vorm van veehouderij. Daarvan is sprake als:
voldaan wordt aan de Maatlat duurzame veehouderij of diens opvolger, of
het een innovatieve, duurzame vorm van veehouderij betreft, die (nog) niet in de Maatlat is opgenomen, maar daar wel goed in zou passen.
**3..** Aangetoond moet worden dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten in omliggende Natura 2000-gebieden.
**4..** Uitbreiding van een veehouderijbedrijf vindt in beginsel plaats op de eigen locatie. Hiervan kan worden afgeweken in de volgende gevallen:
situaties waarbij een bedrijfskavel wordt benut door een bestaand veehouderijbedrijf als tweede locatie, of
situaties waarbij een bedrijfskavel wordt benut waar in het verleden wel sprake was van een veehouderijbedrijf als hoofd- of neventak, of
situaties waarbij een veehouderij uit de gemeente Dronten een vervangende locatie zoekt in verband met bijvoorbeeld een woningbouwontwikkeling of om te verplaatsen op grotere afstand van Natura 2000-gebieden. In dat geval moet wel gegarandeerd zijn dat op de vrijkomende locatie niet opnieuw een veehouderij zich kan vestigen.
Ook het opstarten van een neventak veehouderij op erven waar er nu nog geen sprake is van veehouderij is niet mogelijk. Hiervoor geldt als uitzondering een neventak veehouderij bij een akkerbouwbedrijf, als dit nodig is om grondstoffen of reststromen uit de verschillende sectoren te benutten in het kader van een omslag naar kringlooplandbouw.
**5..** Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Door middel van een landschappelijk inpassingsplan wordt aangetoond dat de bebouwing aan de niet naar de weg gekeerde zijden wordt omgeven door een erfsingelbeplanting met een breedte van ten minste 6,00 m of een kavelbeplanting ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt’, met de volgende uitgangspunten:
Gebruik maken van inheemse boomsoorten;
er sprake is van een kruid-, struik- en boomlaag;
bij aangrenzende percelen, waarbij de erfsingelbeplanting naast elkaar ligt, de gezamenlijke breedte van de erfsingelbeplantingen ten minste 6,00 m dient te bedragen, waarbij aan weerszijde van de kavelsloot de breedte van de erfsingelbeplantingen ten minste 3,00 m dient te bedragen;
Indien de situatie op het betreffende erf dit wenselijk of noodzakelijk maakt vanwege een doelmatige bedrijfsvoering, kan worden voorzien in afwijkende erfbeplanting of kavelbeplanting, mits er maar sprake blijft van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
Bij de landschappelijke inpassing dient tevens een bijdrage worden geleverd aan de versterking van de biodiversiteit.
**6..** Verantwoord moet worden op welke wijze is overwogen of bijdragen mogelijk zijn aan de energietransitie en de klimaatadaptatie.
**7..** Verantwoord moet worden op welke manier overleg met de omliggende functies en bedrijven heeft plaatsgevonden.
**8..** Het bouwplan moet voldoen aan de bouwregels van de bestemming Agrarisch uit het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’, tenzij de eisen van MDV om andere maatvoeringen vragen.
Artikel 3.
Voorwaarden voor uitbreiding van de veehouderijen (tot 2,5 ha)
Onderdeel van Beleidsregel uitbreiding bedrijfserven met veehouderij