Op grond van artikel 2.6.6 lid 3 van de Huisvestingsverordening komen vergunninghouders die gehuisvest moeten worden in het kader van de taakstelling van de desbetreffende gemeente in aanmerking voor een urgentieverklaring als zij:
nog niet eerder door het COA bij een andere gemeente zijn voorgedragen voor huisvesting; en,
niet eerder aangeboden woonruimte (dat kan ook onzelfstandige woonruimte zijn) hebben geweigerd.
Aan beide voorwaarden dient voldaan te zijn. De in artikel 2.6.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn niet van toepassing op deze urgentiegrond.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1.3