Het college treft een betalingsregeling indien haar ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering en/of boete over te gaan.
Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit neemt het college in de betalingsregeling de voorwaarde op dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.
Bij de bepaling van de aflossingscapaciteit als bedoeld in het tweede lid wordt in beginsel geen rekening gehouden met een aflossingsverplichting op schulden bij derden, tenzij:
de verplichting al is aangegaan tijdens de uitkeringsperiode; en
de verplichting niet is aangegaan ten aanzien van een familielid; of
de aflossingsverplichting aantoonbaar is aangegaan in verband met noodzakelijke bestaanskosten.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid verbindt het college aan de verlening van (verder) uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende indien hij over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken, dit vermogen, voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem toepasselijke bijstandsnorm, aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld.
Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het vierde lid:
worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten;
is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van het bepaalde in het tweede en vierde lid stemt het college met een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling in indien daarmee het totaal van de vordering(en) binnen een periode van 18 maanden in zijn geheel kan worden afgelost. Het college verbindt aan de instemming de verplichting tot aflossing van een bedrag van minimaal € 25,-- per maand.
De betalingsregeling wordt ingetrokken indien de belanghebbende de nader overeengekomen aflossing niet nakomt.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 20.