Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 6.

Artikel 21.

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting bij een inkomen op bijstandsniveau

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering Participatiewet, Bbz 2004, IOAW en IOAZ, invordering boetes en aflossing leenbijstand gemeente Renkum 2016

Het college verricht onderzoek naar de financiële situatie van belanghebbende. De aflossingsverplichting voor de belanghebbende met een inkomen op bijstandsniveau bedraagt: 10% van de toepasselijke bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, tenzij sprake is van een vordering respectievelijk toepasselijke norm zoals bedoeld onder b en c, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen; 6% van de toepasselijke bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag indien de vordering een geldlening betreft, tenzij sprake is van een toepasselijke norm zoals bedoeld onder c, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen; 4% van de toepasselijke kostendelersnorm per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. Met uitzondering van vorderingen die zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, kan de aflossingsverplichting van 10% zoals genoemd in lid 1 onder a verlaagd worden naar 5% als een belanghebbende gedurende drie jaar aaneengesloten heeft moeten leven van een bedrag ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm.

Rechtspraak bij dit artikel