Het college verricht onderzoek naar de financiële situatie van belanghebbende.
De aflossingsverplichting voor de belanghebbende met een inkomen boven bijstandsniveau bedraagt:
10% van de toepasselijke bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met 50% van het verschil tussen het inkomen inclusief vakantietoeslag en de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, tenzij sprake is van een vordering zoals bedoeld onder b;
6% van de toepasselijke bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met 35% van het verschil tussen het inkomen inclusief vakantietoeslag en de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, indien de vordering een geldlening betreft.
De aflossingsverplichting als bedoeld in het tweede lid wordt herberekend indien uit de door de debiteur overgelegde inkomensgegevens blijkt dat deze aflossingsverplichting de beslagvrije voet beperkt. In deze gevallen wordt bij de berekening van de aflossingsverplichting toepassing gegeven aan artikel 475d van het wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering. Na herberekening wordt een herziene aflossingsverplichting aan de belanghebbende opgelegd.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt de aflossingsverplichting van de belanghebbende, van wie de algemene bijstand of uitkering is beëindigd in verband met uitstroom naar werk, voor een periode van maximaal 12 maanden na datum van beëindiging van de algemene bijstand of uitkering vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 21.
HOOFDSTUK 6.
Artikel 22.