Aangepast vervoer kan enkel ingezet worden als voorliggende vervoersvoorzieningen niet toereikend zijn. In eerste instantie wordt gekeken of de leerling zich met de fiets kan vervoeren, al dan niet met begeleiding. Wanneer dit niet mogelijk is heeft eigen vervoer de voorkeur. Vervolgens wordt gekeken naar een vergoeding voor het openbaar vervoer, al dan niet met begeleiding. Slechts wanneer eerdergenoemde vervoersvoorzieningen niet passend zijn voor de leerling wordt gekeken naar de inzet van aangepast vervoer.
Artikel 5