Naar hoofdinhoud
1.. De verordening beschrijft verschillende situaties waarin aangepast vervoer wordt toegekend. Wanneer de aanspraak (deels) rust op (een verklaring) dat de leerling door een handicap, zoals benoemd in de verordening, niet (zelfstandig) met het openbaar vervoer of fiets kan reizen moet de beperking worden aangetoond. Het gaat om de volgende bewijsstukken: Een verklaring van een behandelend arts, specialist of andere deskundige (niet zijnde de eigen huisarts) over de aard van de handicap van de leerling waarin de (on)mogelijkheid van de leerling is beschreven met betrekking tot het reizen per fiets en openbaar vervoer met of zonder begeleiding. Een verklaring van de directeur van de school, waaruit blijkt welke vorm van vervoer voor de leerling wenselijk is. Een verklaring kan langer dan één jaar van toepassing zijn en daarom bij meerdere opeenvolgende aanvragen worden toegevoegd als bewijsstuk. 2.. Indien wenselijk, kan het college optionele onderzoeken toevoegen aan bovengenoemde bewijsstukken: Nader onafhankelijk medisch advies, indien het college van mening is dat het vervoersadvies onvoldoende onderbouwd is. Een advies over de mogelijkheden van het vergroten van zelfredzaamheid. Een proefperiode waarin de leerling zelfstandig reizen uitprobeert. Het uitproberen geldt als een vorm van onderzoek.

Rechtspraak bij dit artikel