Naar hoofdinhoud
Het College van B&W stelt bij de start van elk participatieproces vast op welke wijze participatie wordt toegepast. Daarbij neemt het College van B&W over in elk geval de volgende punten een besluit: a. het doel en de intentie van participatie en de schaal waarop dit participatie aan de orde is; b. het niveau van participatie, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren of meebeslissen; c. wie de deelnemers zijn van het participatieproces; d. of duidelijk is aangegeven op welke onderdelen de inbreng van betrokkenen nog van invloed is en welke onderdelen slechts ter informatie zijn; e. de wijze en het tijdstip waarop de deelnemers hun inbreng kunnen leveren; f. de wijze waarop deelnemers over de voortgang op de hoogte worden gehouden; g. hoe de communicatie rondom een participatieproces is georganiseerd; h. de wijze en het tijdstip waarop het College van B&W reageert op de uitkomsten van het participatieproces; i. of en zo ja hoe de evaluatie van het participatieproces plaatsvindt; j. de begroting en kosten van het participatieproces. Het College van B&W maakt in het geval van een omgevingsplan voorafgaand aan het participatieproces op gepaste wijze het voornemen hiertoe bekend. In deze kennisgeving worden in ieder geval de punten 2b, 2c en 2e meegenomen. Indien het door omstandigheden nodig is om de inrichting van het participatieproces tussentijds aan te passen, zorgt het College van B&W ervoor dat dit op gepaste wijze bekend wordt gemaakt. Het College van B&W brengt het procesbesluit als bedoeld in art. 4 lid 1 ter kennis aan de gemeenteraad.

Rechtspraak bij dit artikel