Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1.

Artikel 2.1.1.

Richtlijnen voor Informele speelruimte

Onderdeel van Speelruimteplan Gemeente Bergen (L) 2021 – 2024

De benodigde hoeveelheid informele speelruimte laat zich lastig kwantificeren. Het gaat om de hoeveelheden en oppervlaktes van grasvelden, struiken, bomen, pleinen, stoepen en water. Het gaat echter ook om de variatie, de bruikbaarheid en de veiligheid daarvan. Op basis van onderzoek en ervaring heeft OBB richtlijnen ontwikkeld voor informele speelruimte voor kinderen en jeugd (zie tabel 1). Op basis van leeftijd kunnen specifieke eisen en wensen gekwantificeerd worden. Tabel 1: OBB-Richtlijnen informele speelruimte Richtlijnen  informele speelruimte Leeftijdsgroep Kinderen 0 – 5 jaar Jeugd 6 – 11 jaar Jongeren 12 – 18 jaar Omvang 20 m2 / kind 100 m2 / 5 kind 1 plek / 15 jongeren Ligging Aangrenzend aan woning Einde van de straat In eigen buurt Invulling Stoep en gras 50% stoep en pleintjes, 50% gras en struiken “op straat” Speelwaarde Leren fietsen, skaten, rommelen, fantasie, krijten, in zon/schaduw zitten Verstoppertje, touwspringen, balletje trappen, hutje bouwen Ontmoeten, kletsen, chillen en sporten Verkeer Woonerf, verkeersarm 30 km zone, verkeersluw Niet op rijbaan Bedreiging Hondenpoep, afval, prikstruiken, giftige beplanting Hondenpoep, afval, sierbeplanting n.v.t. Toelichting op tabel 1: Kinderen 0 -5 jaar Kinderen spelen dicht bij huis, bij wijze van spreken onder het keukenraam individueel of met een buurmeisje of -jongen. Dit is vaak goed te zien aan het speelgoed dat rondom het huis ligt op een mooie zomerdag. Voor een kind valt al heel wat te beleven op 20 m2. Omdat een kind geen of moeilijk gevaren kan inschatten, is het belangrijk dat er geen of zeer weinig auto’s, brommers en fietsen rijden over de informele speelruimte. Daarom zijn de tuin, de oprit, de stoep, de (doodlopende) straat, het achterplein en het grasveldje grenzend aan de voordeur de belangrijkste bron van informele speelruimte voor kinderen. Kinderen kunnen wel onder begeleiding gebruik maken van (verderweg gelegen) centrale plekken in de wijk of dorp. Per wijk of dorp zou feitelijk de hoeveelheid informele (privé)ruimte beoordeeld worden om een afweging te kunnen maken voor de hoeveelheid benodigde formele speelruimte. Bergen kiest er nadrukkelijk voor om de komende jaren één formele speelruimte te hebben in ieder dorp/kern. Jeugd 6 -11 jaar De jeugd gaat steeds verder de wijk in. Haar verkenningsgebied is vrijwel de gehele openbare ruimte. De jeugd speelt meer in groepjes van klasgenoten of buurkinderen. Daarom moet de groene of grijze ruimte gebundeld zijn per vijf jeugdigen. Zo ontstaan er ruimtes van circa 50 m2 per speelbuurt. Er moet voldoende plantsoen en ruigte zijn waar ze bloemen kunnen plukken en hutten kunnen bouwen. Ook verkeersluwe wegen, stoepen, hofjes en pleintjes voor straatspelen als knikkeren, touwtjespringen en tik- en verstopspelen zijn nodig voor deze leeftijdsgroep. Verder groeit in deze leeftijdsgroep de behoefte aan plekken om te ‘chillen’. Jongeren 12 – 18 jaar Jongeren hebben op straat eigen, liefst zelfgekozen ruimte in een wijk of dorp nodig. Voor de jongeren is het ontmoeten van leeftijdsgenoten zeer belangrijk. Het is hun manier om leeftijdsgenoten te leren kennen en sociale grenzen te ontdekken. Voor jongeren kan als indicator genomen worden dat per groep van circa 10-15 jongeren ergens in de wijk of het dorp een ruimte is om elkaar te ontmoeten. De eerste (circa) 50% van deze informele ontmoetingslocaties regelt zichzelf en vergt geen inrichting. De daaropvolgende (circa) 30% van de plekken zijn de nu al aanwezige bankjes, muurtjes en zitelementen. De overige 20% zijn de meer formele ontmoetingsplekken die het best gecombineerd kunnen worden met de aanwezige openbare (sport)voorzieningen. En deze zijn er in onze gemeente in voldoende mate aanwezig. Door deze uitgangspunten te gebruiken wordt invulling gegeven aan het terugdringen van overlast door jongeren. Als er voldoende en gevarieerde plekken zijn, is er voor de jongeren meer te kiezen en kan een buurtbewoner, straatcoach, BOA of wijkagent de jongeren ook eens naar een andere plek verwijzen.

Rechtspraak bij dit artikel