Formele speelruimte wordt gezien als een aanvulling op de aanwezige informele speelruimte. Kinderen vinden vaak afwisseling in soort plekken, traditioneel of meer natuurlijk, prettig. Ze kunnen dan kiezen.
Een eerdere poging om de hoeveelheid speelruimte te onderbouwen en daarmee een eerlijke spreiding tot stand te brengen is de zogenaamde 3%-norm voor speelruimte. Op basis van een niet-aangenomen initiatiefwet uit 2003 heeft de overheid in 2006 een beleidsbrief rondgestuurd aan alle Nederlandse gemeenten. De gemeenten werd verzocht om van de openbare ruimte 3% te bestemmen als speelruimte. Kanttekeningen bij deze norm zijn dat elke vorm van kwalificatie
ontbreekt, geen rekening gehouden wordt met demografische gegevens en onduidelijk is welke openbare ruimte precies bedoeld wordt. Omdat Bergen over veel natuurlijke ruimte beschikt, wordt de aanwezigheid van één formele speelruimte per dorp/kern in principe als voldoende geacht. OBB gaat er overigens van uit dat indien er voldoende informele speelruimte is rond het huis, er gekozen kan worden om minder formele speelruimte aan te leggen. Dit met als overweging dat ouders bij voldoende grote tuin en groenstroken en veilige stoepen rond het huis zelf initiatief nemen om speelgelegenheid te creëren (speeltoestellen in de tuin). Er zal wel voldoende oppervlakte aan speelruimte moeten komen voor jonge kinderen in dichtbebouwde wijken, maar niet noodzakelijk op een afstand die voor kinderen zelfstandig te bereiken is. Op meer centrale plekken in de buurt, waar ook ruimte voor jeugdigen is, zullen kinderen voldoende ruimte vinden om te spelen. Daar waar onvoldoende informele speelruimte is rond het huis wordt gekozen om wel de richtlijnen voor wat betreft de actieradius van kinderen te volgen.
Er wonen gedurende de levensduur van een wijk vaak eerst voldoende kinderen, vervolgens jeugdigen en jongeren rond een speel- of ontmoetingsplek voor deze leeftijdscategorieën om deze in stand te houden. Voor jeugd en jongeren kunnen er daarom meer duurzame, grotere en uitdagende speelplekken worden aangelegd. Als speelruimte voor kinderen gecombineerd wordt met speelruimte voor jeugdigen is de speelruimte duurzamer en blijft deze langer functioneren dan dat de speelplek alleen voor kinderen bedoeld is. Speelplekken die afwisselend zijn in soort over de wijk of dorp zijn bovendien meer duurzaam. Hierbij kan gedacht worden aan traditionele en natuurlijke speelplekken.
Door toetsing aan deze richtlijn kan aangegeven worden wanneer er wel of niet een speelplek moet komen en waar. De kosten van aanleg en onderhoud zijn hoog, dus kan er niet aan elk verzoek om een extra speelplek of het opknappen van een speelplek gehoor gegeven worden. Bovengenoemde richtlijn zorgt voor een passend, begrijpelijk en eerlijk antwoord op zulk soort verzoeken.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1.
Artikel 2.1.2.
Richtlijnen voor formele speelruimte
Onderdeel van Speelruimteplan Gemeente Bergen (L) 2021 – 2024