Verbodsbepaling
Zoals reeds in paragraaf 1.1 is opgemerkt, is het op grond van artikel 2.1.5.1, lid 1, van de APV verboden om zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Artikel 2.1.5.1, lid 2, APV formuleert een achttal uitzonderingen op dit verbod. Uit één van deze uitzonderingen volgt dat het verbod niet geldt voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard (2.1.5.1, lid 2, onder e van de APV). Dit vanwege artikel 7 van de Grondwet, waarin de vrijheid van meningsuiting wordt geregeld. Concreet betekent dit, dat voor het plaatsen van ideële reclame op de weg geen vergunning van het college is vereist. Wel kan het verboden worden om de ideële reclame op bepaalde plaatsen, zoals beschreven in het derde lid van artikel 2.1.5.1 APV, aan te brengen. Dit zijn de plaatsen waarbij de ideële reclame:
door de omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg,
gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of
een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
Op en boven de weg
Voor het plaatsen van tijdelijke reclameborden op de weg en spandoeken boven de weg is dus een vergunning benodigd, voorzover er geen sprake is van reclame met ideële doeleinden. Wat precies onder “weg” wordt verstaan staat omschreven in artikel 1.1, onder a, van de APV:
de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.
Uit deze definitie kan worden afgeleid dat in bepaalde gevallen ook een vergunning op grond van artikel 2.1.5.1 APV is vereist voor het plaatsen van tijdelijke reclameborden of spandoeken wanneer de weg zich niet op gemeentegrond, maar op particuliere grond bevindt.
Worden de tijdelijke reclameborden of spandoeken niet op of boven de weg geplaatst, maar op of aan een onroerende zaak, die vanaf de weg zichtbaar is, is geen vergunning op grond van artikel 2.1.5.1 van de APV benodigd, maar een vergunning op grond van artikel 4.4.2 van de APV. Artikel 4.4.2 APV heeft betrekking op handelsreclame op onroerende zaken. Artikel 2.1.5.1 APV heeft daarentegen betrekking op roerende zaken. Voor alle duidelijkheid vallen reclame-uitingen, waarbij een vergunning op grond van artikel 4.4.2 APV benodigd is buiten het bereik van deze notitie.
De weigeringsgronden
In artikel 2.1.5.1, lid 5, van de APV worden de gronden genoemd waarop het college kan besluiten de gevraagde vergunning te weigeren. De vergunning kan worden geweigerd:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Er is hier sprake van een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Vergunningen kunnen dus niet op andere gronden geweigerd worden. Een vergunning kan bijvoorbeeld niet geweigerd worden omdat er reclame wordt gemaakt voor een activiteit die niet in Diemen plaatsvindt. Dit valt niet onder één van de weigeringsgronden.
In plaats van de vergunning te weigeren, kan het college op grond van artikel 1.4 van de APV de vergunning verlenen onder bepaalde voorschriften. Aan de vergunning worden dan voorschriften en/of beperkingen verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van de belangen die staan omschreven in de weigeringsgronden. Op grond van artikel 1.4, lid 2, van de APV is degene aan wie de vergunning met de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen is verleend, verplicht deze voorschriften en beperkingen na te komen.
In het volgende hoofdstuk wordt nader ingegaan op de weigeringsgronden en de daarvan afgeleide voorschriften en beperkingen.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.1
De Algemene Plaatselijke Verordening Diemen 2006
Onderdeel van Notitie tijdelijke reclameborden en spandoeken