Algemeen
De Overdiemerpolder wordt begrensd door het Amsterdam-Rijnkanaal (oostzijde), de A1 (zuidwest-zijde) en de Diem (noordzijde). De Overdiemerpolder heeft grotendeels een agrarische inrichting. De bedijking van de polder dateert waarschijnlijk uit de 17e eeuw. De Overdiemerpolder is in 1783 gevormd door het samenvoegen van de Schoolpolder en de Hopmanspolder. De bemaling werd verzorgd door de twee schepradmolens van de voormalige polders. Tussen 1882 en 1892 werd het Merwedekanaal gegraven waardoor het noordoostelijke deel van de polder werd afgesneden. Door middel van een grondduiker werd de verbinding tussen beide delen gehandhaafd tot in 1935 het Merwedekanaal verbreed werd en omgedoopt tot het Amsterdam-Rijnkanaal. In 1894 werd het deel van de polder tussen het kanaal en het spoor geïnundeerd door het afschuiven van de zuidwestelijke kanaaldijk. Rond 1965 werd de ten zuiden van de polder gelegen Muidertrekvaart gedempt ten behoeve van de verbreding van de Rijksweg A1, waardoor de polder in het zuiden niet meer aan boezemwater grenst (bron polderboek van Amsterdam, 1981).
Na de gebiedsinventarisatie waaruit bleek dat het gebied ten westen van de A1 afwatert op de Gemeenschapspolder West, is het oppervlak van de huidige Overdiemerpolder 131 ha. Figuur
3.13 geeft een overzicht van de polder.
Figuur 3.13 Overdiemerpolder
Grondgebruik
De Overdiemerpolder bestaat voornamelijk uit landelijk gebied. Het gebied wordt doorsneden door infrastructuur. In het westen komt grasland voor. De rest van het gebied is bos. In de polder komt ongeveer 9 ha (7%) open water voor. Van het totale gebied is ongeveer 17 ha (13%) verhard.
De functie toegekend aan de Overdiemerpolder is recreatie (extensief). Daarnaast loopt er een natte ecologische verbindingszone langs de polder.
Bodemsoorten
De ondergrond van de Overdiemerpolder is veen (waardveengronden en koopveengronden) en is zeeklei (drechtvaaggronden) langs de Diem en is veel ingeklonken.
Maaiveldhoogten
De maaiveldhoogte in de Overdiemerpolder ligt globaal tussen de NAP 0 en NAP -2 m.
De gemiddelde maaivelddaling voor de Overdiemerpolder kon niet berekend worden als gevolg van het ontbreken van historische hoogtegegevens voor deze polder.
Watersysteem
Peilen en peilvakken
De Overdiemerpolder bestaat uit één officieel peilgebied. Daarnaast komen er nog 3 peilafwijkingen voor. Er wordt een jaarpeil van NAP -1,93 m aangehouden. Het peilbesluit van Overdiemerpolder is vastgesteld in 1995 en daarmee verouderd. In het peilbesluit van de Overdiemerpolder is een bepaling opgenomen dat het peil, met uitzondering van de hoogwatervoorzieningen, de maaivelddaling volgt met 0,9 cm/jaar, gerekend vanaf het jaar 1994.
Tabel 3.4 Peilgebieden, actuele peilen (m+NAP) en drooglegging (m) in de Overdiemerpolder
Peilvaknummer
Naam
Type
Peil
59-1
Overdiemerpolder
Peilvak
JP: -1,93
59-1-1
Overdiemerweg nr. 5-6
Peilafwijking
JP: -1,58
59-1-3
Bermsloten A1
Peilafwijking
JP: -3,90
59-1-2
Overdiemerweg nr. 7-9
Peilafwijking
JP: -1,58
In figuur 3.14 zijn de waterpeilen zoals gemeten bij het poldergemaal weergegeven. Uit de figuur blijkt dat het formele peil van het peilbesluit vanaf 2000 redelijk wordt gehandhaafd.
Figuur 3.14 Waterpeil, gemeten bij het poldergemaal
Grondwater
De Overdiemerpolder is vrijwel kwelneutraal. De berekende gemiddelde infiltratie voor de Overdiemerpolder bedraagt 0,1 mm/dag (Royal Haskoning, 2007). In de sloten in de polder die dieper zijn ingesneden in de deklaag komt kwel voor. De rest van de polder is een zeer licht infiltratiegebied. Een beschrijving van de (freatische) grondwaterstanden staat beschreven in de deelrapportage “GGOR Bijlmerring”.
Functioneren watersysteem
In figuur 3.15 is het functioneren van het watersysteem schematisch weergegeven.
Figuur 3.15 Schematische weergave van de afvoerrelatie in de Overdiemerpolder
De twee hoogwatervoorzieningen in de polder worden door middel van 2 inlaten vanuit de Diem gevoed. Het gebied tussen de A1 (bermsloten) wordt onderbemalen en watert af op het bemalen peilgebied. Het water stroomt via de hoofdwatergangen naar de meest westelijke hoek waar het water wordt uitgeslagen op de Diem. Het gemaal van de Overdiemerpolder heeft een capaciteit van 9 m3/min). Ongeveer 10 jaar geleden is de pomp van het gemaal vervangen. Voorheen had het gemaal een capaciteit van 14 m3/min.
Waterketen
De Overdiemerpolder is gescheiden gerioleerd door middel van drukriolering. Deze is sinds eind 2007 in gebruik (bron: gemeente Diemen).
De indeling in de rioleringsgebieden is opgenomen in bijlage 2.
Waterbalans
In het kader van het watergebiedsplan Bijlmerring is een waterbalansstudie uitgevoerd. De belangrijkste conclusie die uit de studie van de waterbalans volgt is dat er een extra hoeveelheid water wordt ingelaten in de Overdiemerpolder. Het is onduidelijk wat de bron van deze extra hoeveelheid water is. Daarnaast lijkt de constante aanvoer van deze hoeveelheid inlaatwater voor het watersysteem niet nodig.
Waterkwaliteit en ecologie
Chloride en nutriënten
De waterkwaliteit in de Overdiemerpolder wordt slechts op één punt, bij het gemaal, gemeten. Dit punt is tussen 2005 en 2007 bemonsterd. De chlorideconcentratie ligt gemiddeld rond de MTR- waarde (norm van het Maximaal Toelaatbaar Risico) van 200 mg/l. In 2007 ligt de chlorideconcentratie echter ongeveer 50 mg/l lager (figuur 3.16). De concentratie P-totaal schommelt behoorlijk gedurende het jaar en is ’s zomers vaak hoger dan in de rest van het jaar. Gemiddeld ligt de concentratie P-totaal boven de MTR-waarde van 0,15 mg/l. De concentratie N- totaal is gemiddeld ca. 4,75 mg/l en ligt daarmee boven de MTR-waarde van 2,2 mg/l. Ook in de Overdiemerpolder zijn de nitraatconcentraties ’s zomers lager dan ’s winters. De waterkwaliteit in de Overdiemerpolder is hiermee zoet en voedselrijk te noemen.
Figuur 3.16 Waterkwaliteit ODP001, bij gemaal Overdiemerpolder
Overige parameters
In de Overdiemerpolder zijn de koper- en zinkconcentratie slechts eenmaal gemeten. De koperconcentratie lag boven de MTR-waarde (norm van het Maximaal Toelaatbaar Risico) voor koper van 3,8 µg/l, de zinkconcentratie lag onder de MTR-waarde voor zink van 40 µg/l.
Ecologie
In het landelijk gebied worden de watergangen geïnventariseerd op macrofyten en getoetst aan de normen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW) van de Europese Unie. In de Overdiemerpolder zijn in 2005 6 opnamen van macrofyten uitgevoerd.
Over het algemeen komen er weinig submerse waterplanten voor. Als er submerse vegetatie voorkomt dan is dit voornamelijk smalle waterpest en/of grof hoornblad en kikkerbeet. In het water en op de oever staat voornamelijk riet, liesgras, veenwortel, waterpeper en rietgras. In de sloten komt over het algemeen veel kroos voor. Uit de toetsing volgens de Kaderrichtlijn Water komen voor de Overdiemerpolder 3 locaties op slecht en 3 locaties op ontoereikend uit. Veel soorten die voorkomen in beide polders zijn vaak algemeen voorkomende soorten. Veel sloten die ontoereikend scoren hebben wel een goede score voor de submerse vegetatie, maar een slechte score voor drijvende vegetatie en soorten aantal.