Bij de tracébepaling van kabels of leidingen zijn twee aspecten van belang:
de horizontale ligging;
de verticale ligging.
Het doel van het vooraf bepalen van deze liggingen is:
1. een optimaal gebruik van de openbare ruimte;
2. een ongestoorde exploitatie van kabels of leidingen;
3. optimaliseren van de veiligheid.
7.2.1. Horizontale ligging
**1..** Het kabel- en leidingentracé wordt in het algemeen en bij voorkeur in het trottoir gesitueerd.
**2..** In het overig deel van de openbare weg wordt de riolering en transportleidingen gesitueerd.
**3..** De minimale afstand tussen het kabel- en leidingentracé en perceelgrens is situatie afhankelijk. De algemene profielen staan in hoofdstuk 10, bijlage 10.1 van het handboek.
**4..** Bij de plaatsbepaling van kabels of leidingen in de nabijheid van bomen wordt de afstand tussen het kabel- en leidingentracé en de stam van de boom bepaald door de leidraad minimale graafafstanden in de bomenposter hoofdstuk 10, bijlage 10.2. van het handboek. De leidraad staat in onderstaande tabel:
**5..** Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen qua horizontale maatvoering volgens een vaste volgorde ten opzichte van elkaar ingedeeld. De horizontale indeling is weergegeven in de algemene profielen, zie bijlage 10.1.
**6..** In bermen langs wegen dient de afstand van ligging van de kabels of leidingen totaan de verharding ten minste gelijk te zijn aan de diepteligging ervan, tenzij anders wordt overeengekomen met de toezichthouder.
**7..** Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd. In bijzondere gevallen kan het college een andere indeling toestaan c.q. voorschrijven.
**8..** Handholes c.q. distributiepunten mogen niet aangebracht worden in kabel- en leidingtracés, rijbanen, parkeerplaatsen, uitwegen, op kruisingen, ter plaatse van de in- of uitritten van percelen en binnen een afstand van 5,00 m vanaf bomen en niet binnen de kroonprojectie. De handholes c.q. distributiepunten worden bij voorkeur geplaatst in voetpaden, bermen of groenvoorzieningen. In overleg met de toezichthouder kunnen andere afspraken worden gemaakt over deze voorschriften.
**9..** De grondroerder vraagt vooraf aan het college toestemming om (mede)gebruik te maken van voorzieningen die eigendom zijn van de gemeente. Bijvoorbeeld voor het gebruik van mantelbuizen, kabelgoten of holle ruimten die onder een weg of in een kunstwerk (b.v. bruggen, tunnels, viaducten en dergelijke) van de gemeente aanwezig zijn.
7.2.2. Aanvullende eisen horizontale ligging
**1..** Werkzaamheden aan of bij bomen of andere groenvoorzieningen worden zoveel mogelijk vermeden. Hiermee wordt bij de engineering terdege rekening gehouden en waar mogelijk worden bij voorkeur alternatieve routes gekozen. Is het werken aan- of bij bomen of andere groenvoorzieningen toch onvermijdelijk dan wordt er eerst overleg met de toezichthouder gevoerd.
**2..** Voorafgaand aan de engineering wordt door de grondroerder bij het college de (digitale) bomenkaart opgevraagd. Indien er zich in het tracé te handhaven (monumentale) bomen bevinden worden die, inclusief kroonprojectie) op de instemmings- of vergunningstekening weergegeven.
**3..** Wegkruisingen die d.m.v. een persing of gestuurde boring worden gerealiseerd worden op minimaal 5,00 m vanaf de stam van een boom gesitueerd.
**4..** Bij wegkruisingen bij gescheiden rijbanen of fietspaden met tussenliggende groenstroken bestaat de mantelbuis (indien mogelijk) uit één lengte. De mantelbuizen worden alleen aangebracht buiten de tangentpunten van de aansluitende bochten van wegen, niet in de kruisingsvlakken van wegen.
**5..** Als het onvermijdelijk is dat er in de nabijheid van bomen of andere groenvoorzieningen moet worden gewerkt, dan worden er een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen (Hoofdstuk 9) dat schade aan de betreffende boom, groenvoorziening en aan de te leggen kabel of leiding voorkomt. Indien de afstand tot de bomen minder is dan bepaald in artikel 7.2.1 vierde lid worden er in ieder geval beschermende maatregelen toegepast of er worden (gestuurde) boringen gemaakt.
7.2.3. Verticale ligging
**1..** Binnen het kabel- en leidingentracé worden de kabels of leidingen ten opzichte van het maaiveld qua verticale maatvoering volgens een vaste volgorde ingedeeld. De verticale indeling is weergegeven in het standaarddwarsprofiel, zie hoofdstuk 10, bijlage 10.1
**2..** Uitgangspunten bij verticale ligging:
Distributiekabels en -leidingen liggen ondieper dan transportleidingen;
Vrijverval leidingen hebben voorrang boven drukleidingen;
Kabels of leidingen worden niet binnen het ontgravingsprofiel van de riolering aangelegd. Het ontgravingsprofiel is bekend bij de rioolbeheerder van de gemeente;
Bij kruisingen van kabels of leidingen bedraagt de onderlinge tussenruimte (verticale afstand) tenminste 0,20 m;
Er wordt een strook tussen 0,60 m -mv en 1,0 -mv vrijgehouden i.v.m. kruisende vrijverval rioolaansluitingen.
**3..** Het bovengenoemde basisprincipe wordt zoveel mogelijk nagestreefd, mede in verband met kruisende rioolaansluitingen. In bijzondere gevallen kan de gemeente een andere verticale ligging toestaan c.q. voorschrijven.
7.2.4. Aanvullende eisen voor verticale ligging
**1..** Bij boringen/persingen, in welke vorm ook, is de diepteligging afhankelijk van de situatie ter plaatse. De minimale verticale afstand ten opzichte van de te kruisen kabels of leidingen bedraagt ten minste 0,50 m, waarbij de te boren/persen leiding onder de bestaande leiding dient te worden gevoerd.
**2..** Bij het kruisen van watergangen wordt een minimale gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de ontwerpdiepte van de bodem van de watergang aangehouden.
**3..** Indien de aanwezige bodem van de watergang lager ligt dan de ontwerpdiepte wordt een gronddekking van 1,00 m ten opzichte van de aanwezige bodem aangehouden.
**4..** Indien het onvermijdelijk is dat een kabel of leiding door een groenvoorziening wordt gelegd of er onderdoor wordt geperst dan bedraagt de gronddekking van die kabel of leiding (of mantelbuis) minimaal 1,00 m.
**5..** Kabels of leidingen mogen alleen onder een overbouwing worden gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de onderzijde van de overbouwing en het ter plaatse vastgestelde uitgiftepeil minimaal 2,50 m bedraagt. Dit in verband met de benodigde werkruimte voor mechanisch- en ander materieel.
**6..** Kabels of leidingen worden alleen boven een onderbouwing (kelder, duiker etc.) gesitueerd, indien de verticale afstand tussen de bovenzijde van de onderbouwing en het ter plaatse vastgestelde maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt. Dit in verband met benodigde gronddekking voor de kabels of leidingen.
**7..** Koppelbalken t.b.v. funderingen worden alleen gekruist als de verticale afstand tussen de bovenkant van de koppelbalken en het maaiveld ten minste 1,00 m bedraagt en de te overbruggen ruimte tussen de koppelbalken is voorzien van een gewapende betonplaat waarboven de kabels of leidingen een veilige ligging verkrijgen.
Hoofdstuk 7.
Artikel 7.2.
Tracé bepaling t.b.v. de aanleg van kabels of leidingen
Onderdeel van Handboek kabels en Leidingen gemeente Asten 2018