De gemeente is beheerder van de meeste openbare wegen op haar grondgebied. De gemeentelijke plicht tot het onderhouden van wegen, waaronder de gladheidsbestrijding, komt voort uit artikel 16 van de Wegenwet. Voor de gladheidsbestrijding geldt een inspanningsverplichting en geen garantieplicht. In de praktijk moet er sprake zijn van een adequate gladheidsbestrijding, dat wil zeggen selectief strooien, waarbij een afweging wordt gemaakt tussen (een minimale) verkeersveiligheid, een aanvaardbare milieubelasting en de financiële middelen.

Met de Algemene wet Bestuursrecht in ogenschouw genomen is het van belang dat besluitvorming inzichtelijk en toegankelijk wordt gemaakt. Anderzijds kan zorgvuldige besluitvorming voorkomen dat de gemeente, op basis van het Burgerlijk Wetboek (BW), op grond van een onrechtmatige daad, voor eventuele schade aansprakelijk wordt gesteld en gehouden op grond van nalatigheid. Mede daarom is ook een gladheidsbestrijdingsplan gewenst.

3.2.1 Zorgplicht

In de artikelen 15 e.v. van de Wegenwet is geregeld dat de gemeente verplicht is de wegen binnen haar gebied te onderhouden en heeft te zorgen voor het in goede en veilige staat verkeren van die wegen, voor zover deze zorg niet aan een ander overheidsorgaan is opgedragen. Hiertoe behoort ook het bestrijden van gladheid op wegen.

Wegenwet

De gemeente is bij wet verantwoordelijk voor het beheer van de openbare wegen (tevens van toepassing op civieltechnische kunstwerken gelegen in openbare wegen). De essentie betreft dat de beheerder moet optreden als ‘goede rentmeester’ en de zorg heeft kapitaalvernietiging te voorkomen. De wettelijke zorgplicht is vastgelegd in de Wegenwet.

Artikel 15

1. Het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap is verplicht een weg te onderhouden, wanneer dat bestemd is tot een openbare weg.

2. Het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap is verplicht een weg (inclusief bijbehorende duiker) te onderhouden, wanneer zij een openbare weg gedurende tien achtereenvolgende jaren heeft onderhouden, ook al was bij de aanvang van die tien jaren de weg nog niet openbaar.

3. Tot het onderhoud van een weg als in het eerste en het tweede lid bedoeld, behoort mede het onderhoud van de bijbehorende berm of bermsloot, echter slechts voor zover het onderhoud van de berm of de bermsloot een bijdrage levert aan de instandhouding en de bruikbaarheid van de weg en voor zover het onderhoud niet, uit welke hoofde ook, tot de verplichting van anderen behoort.

Artikel 16

De gemeente heeft te zorgen, dat de binnen haar gebied liggende wegen, met uitzondering van de wegen, welke door het Rijk of ene provincie worden onderhouden, van die bedoeld in artikel 17 en van die, waarop door een ander tol wordt geheven, verkeren in goeden staat.

In algemene zin houdt dit in dat de beheerder vanuit de wegenwet de zorgplicht heeft voor (het onderhoud van) de objecten en voorzieningen in de openbare ruimte en dat de aansprakelijkheid bij optredende schade door het niet voldoen aan deze zorgplicht geregeld is in het BW. De algemene aansprakelijkheidsregeling staat in artikel 6:162 BW.

Burgerlijk Wetboek

Een bijzondere algemene aansprakelijkheidsregel wordt gevonden in het BW: artikel 6:162 en 6:174:

Artikel 6:162

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Artikel 6:174

1. De bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

2. Bij erfpacht rust de aansprakelijkheid op de bezitter van het erfpachtrecht. Bij openbare wegen rust zij op het overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat verkeert, bij kabels en leidingen op de kabel- en leidingbeheerder, behalve voor zover de kabel of leiding zich bevindt in een gebouw of werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of werk.

In de Wegenverkeerswet is de zorgplicht vastgelegd. Van belang is dat het gaat om een inspanningsverplichting van de wegbeheerder en niet om een resultaatsverplichting.

Artikel 2 lid 1

1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a) Het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b) Het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c) Het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d) Het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

3.2.2 Risicoaansprakelijkheid

Op grond van artikel 6:174 van het BW bestaat een risicoaansprakelijkheid voor de wegbeheerder ten aanzien van wegen die niet voldoen aan de eisen die men er aan mag stellen en die daardoor gevaar opleveren voor personen en/of zaken. Deze risicoaansprakelijkheid betekent dat de rechter een wegbeheerder doorgaans aansprakelijk zal achten, ongeacht of de schade toebrengende gebeurtenis de schuld van de wegbeheerder is.

Aan een weg die ten gevolge van nachtvorst, ijzel e.d. glad is geworden, kunnen niet dezelfde eisen worden gesteld als aan zo’n weg gedurende de zomer. Van de weggebruiker mag worden verwacht dat deze bij winterse omstandigheden met een grote mate van oplettendheid en voorzichtigheid aan het wegverkeer deelneemt dan wel dat de weggebruiker zich bij extreme omstandigheden (zware ijzel) niet op de weg begeeft. In dit soort omstandigheden kan een wegbeheerder dan ook niet zonder meer aansprakelijk worden geacht voor schade.

Concluderend kan worden gesteld dat de wegbeheerder niet aansprakelijk is voor schade door gladheid op grond van artikel 6:174 BW als aangetoond kan worden dat:

• Gladheid niet mede het gevolg is van minder goede eigenschappen van het wegdek zelf;

• Bij gebruikmaking van de ‘tenzij-clausule’, de gladheid zo plotseling is opgetreden dat hij in redelijkheid niet meer tot strooimaatregelen in staat is geweest;

• Er in de media naar behoren voor de risico’s is gewaarschuwd (in het jaarlijkse startoverleg worden hier nadere afspraken over gemaakt – zie ook paragraaf 3.8).

De ‘tenzij-clausule’ houdt onder meer in dat de wegbeheerder niet aansprakelijk is als er een zeer korte periode ligt tussen het ontstaan van het gebrek en het ontstaan van de schade. Een beroep op deze clausule dient goed te worden onderbouwd.

3.2.3 Schuldaansprakelijkheid

Naast risicoaansprakelijkheid bestaat ook schuldaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Als artikel 6:174 BW niet van toepassing is, dan staat het eenieder die schade lijdt als gevolg van een gladde weg vrij om een 'onrechtmatige daadsactie' op basis van artikel 6:162 BW in te stellen.

Het kenmerkende van deze schuldaansprakelijkheid is dat de wegbeheerder pas aansprakelijk is als zij bijvoorbeeld schuld heeft aan een schadegeval. De wegbeheerder moet iets verweten kunnen worden. Van belang zijn bijvoorbeeld de volgende zaken:

• Is er tijdig en naar vermogen gestrooid?

• Is er gezien de omstandigheden op tijd en adequaat gewaarschuwd?

• Is er adequaat op klachten gereageerd en zijn de juiste maatregelen getroffen?

• Voldoet een weg aan de eisen die onder gegeven omstandigheden daaraan mogen worden gesteld?

• Behoort de wegbeheerder in de gegeven omstandigheden aansprakelijk te worden geacht voor de schade, gezien de in het verkeer geldende omstandigheden?