De wegbermen zijn ingedeeld in drie zones op basis van het type wegverharding:
zone A: voorheen teerhoudende asfaltwegen3Hieronder vallen tevens de teerhoudende asfaltwegen die in de voorbije jaren nog niet zijn voorzien van een nieuwe niet teerhoudende slijtlaag. Deze betreffen minder dan 5% van de wegen die in beheer zijn bij het waterschap.;
zone B: niet teerhoudende bitumineuze wegen;
zone C: elementenwegen.
Voor de 3 types wegverharding is een aantal statistische kengetallen berekend (diverse percentiel-waarden, gemiddelde, lognormaal gemiddelde).
De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 7 t/m 10:
bijlage 6: statistische kengetallen NEN5740-stoffen (deelsets van de dataset uit paragraaf 3.4)
bijlage 7: statistische kengetallen NEN5740-stoffen (zones)
bijlage 8: statistische kengetallen PFAS (deelsets van de dataset uit paragraaf 3.4)
bijlage 9: statistische kengetallen PFAS (zones)
bijlage 10: betrouwbaarheidsintervallen van het gemiddelde
Voor de zone ‘C: Elementenwegen’ zijn geen nieuwe onderzoeksgegevens beschikbaar zodat bijlage 7C overgenomen is uit de bodemkwaliteitskaart uit 2013.
Voor het berekenen van het gemiddelde en het lognormaal gemiddelde zijn meetwaarden lager dan de detectiegrens vervangen door 0,7 x detectiegrens.
De Achtergrondwaarden en de maximale waarden voor wonen en industrie zijn voor veel stoffen afhankelijk van het bodemtype (percentages lutum en organische stof). Om de getallen gemakkelijk met elkaar te kunnen vergelijken, zijn alle statistische kentallen omgerekend naar standaardbodem (lutum=25%, humus=10%). Vermenigvuldiging van het kengetal met de waarde uit de kolom bodemtypecorrectie geeft het oorspronkelijke kengetal.
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten schrijft voor, dat naast het gemiddelde tevens het betrouwbaarheidsinterval van het gemiddelde moet worden vermeld. Ter voldoening hieraan zijn deze met toelichting opgenomen in bijlage 10.
Net als in 2013 zijn de gehaltes PAK en minerale olie het hoogst in de onderzoeken ten behoeve van de aanleg van doorgroeiblokken. Bij deze onderzoeken zijn de monsters genomen in de eerste halve meter direct naast de bestaande wegverharding. In de eerste halve meter vanaf de wegrand is meer materiaal van de wegfundering door de bodem vermengd dan in de rest van de wegberm. Deze bodemvreemde bijmengingen vormen de bron van de verhoogde PAK-gehaltes.
Voor de bermgrond die vrijkomt bij het onderhoud van wegbermen zijn deze gegevens minder representatief, omdat bij deze onderhoudswerkzaamheden een breder deel van de berm wordt afgeschraapt.
Conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn de rekenkundig gemiddeldes van de zones getoetst aan de bodemkwaliteitsklassen uit de Regeling bodemkwaliteit. Hierbij zijn de in paragraaf 2.2 beschreven toetsingsregels van toepassing.
Zone bodemkwaliteitskaart
Bodemkwaliteitsklasse:
Ontgravingsklasse
(0-0,5 m-mv)
Bodemkwaliteitsklasse:
Toepassingsklasse
(0-0,5 m-mv)
A: voorheen teerhoudende asfaltwegen
Industrie
(vanwege PAK en minerale olie)
Industrie
(vanwege PAK en minerale olie)
B: niet teerhoudende bitumineuze wegen
Industrie
(vanwege minerale olie)
Wonen
(binnen toetsingsregel)
C: elementenwegen
Achtergrondwaarde
(binnen toetsingsregel)
Achtergrondwaarde
(binnen toetsingsregel)
De bodemkwaliteitskaart met deze zones is opgenomen in bijlage 11A t/m 11E.
De zone ‘B: niet teerhoudende bitumineuze wegen’ voldoet niet meer aan de Achtergrondwaarde, omdat het rekenkundig gemiddelde voor minerale olie hoger is dan de Achtergrondwaarde. Uit deze zone vrijkomende grond wordt geclassificeerd als klasse Industrie (ontgravingsklasse Industrie).
De rekenkundig gemiddeldes van deze zone voldoen echter aan de toetsingsregel voor klasse Wonen, zoals beschreven in paragraaf 2.2. Als ontvangende bodem valt deze zone volgens het generieke beleidskader in klasse Wonen (toepassingsklasse Wonen).
De niet teerhoudende bitumineuze wegen (alle provinciale wegen) betreffen de wegen met de hoogste verkeersintensiteit. Deze zone voldoet op basis van het rekenkundig gemiddelde vanwege minerale olie net niet aan de Achtergrondwaarde, maar de gehalten PAK en minerale olie zijn lager dan in de zone A: Voorheen teerhoudende asfaltwegen. Verkeersintensiteit is derhalve geen bepalende factor voor de zonekwaliteit.
PFAS
Voor PFAS zijn de verschillen in statistische kengetallen tussen de zones ‘A: Voorheen teerhoudende asfaltwegen’ en ‘B: Niet teerhoudende bitumineuze wegen’ gering.
Het tijdelijk handelingskader PFAS d.d. 2 juli 2020 (lit. 12) vermeld voor PFOS als landelijke achtergrondwaarde 1,4 μg/kgds. Het rekenkundig gemiddelde in de zone ‘A: voorheen teerhoudende asfaltwegen’ is met 1,5 μg/kgds net iets hoger dan de landelijke achtergrondwaarde. In de zone ‘B: Niet teerhoudende btiumineuze wegen’ ligt het rekenkundig gemiddelde met 1,3 μg/kgds net onder de landelijke achtergrondwaarde.
In het aanvullend onderzoek uit juni/juli 2020 is in ongeveer de helft van de geanalyseerde monsters een gehalte PFOS groter dan 1,4 μg/kgds gemeten:
in de zone ‘A: Voorheen teerhoudende asfaltwegen’ in zowel het dieptetraject 0-0,15 m-mv als het dieptetraject 0,3-0,5 m-mv;
in de zone ‘B: Niet teerhoudende bitumineuze wegen’ alleen in het dieptetraject 0-0,15 m-mv.
Deze verhoogde gehalten zijn verspreid over de provincie gemeten en hebben dus geen relatie met de twee gebieden waar in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten zones met hogere PFAS-gehalten zijn vastgesteld (in de gemeente Reimerswaal en in Vlissingen).
De gehaltes PFOS in bermgrond zijn dus iets hoger dan de gehaltes die normaliter in de Zeeuwse bodem worden aangetoond.
Voor de zone ‘C: Elementenwegen’ zijn geen PFAS-gegevens beschikbaar. Aangenomen wordt dat de PFAS-gehalten in deze zone vergelijkbaar zijn met de PFAS-gehalten in de andere twee zones (of lager zijn).
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.6
Zones in de bodemkwaliteitskaart
Onderdeel van Nota bodembeheer inclusief bodemkwaliteitskaart voor wegbermen in de provincie Zeeland Actualisatie 2020