Gelet op de bestaande contractuele afspraken en verwachtingen van gebruikers van het gemeentelijk vastgoed is het niet mogelijk om kostprijsdekkende huur gelijk over alle vastgoedobjecten toe te passen. De gemeente hanteert een ingroeiperiode tot 2030. In deze periode wordt:
Voor bestaande huurders met een natuurlijk moment voor 2030 (verlening van huurcontracten), dit moment gebruikt om over te gegaan op een kostprijsdekkende huur. Tot het moment van verlenging, zal het huurcontract conform de contractuele voorwaarden worden uitgediend.
Voor nieuwe huurcontracten (nieuwe verhuringen, verlengingen, mutaties en aanpassingsmomenten als gevolg van renovatie/verbouwingen) een kostprijsdekkende huur gehanteerd.
Voor bestaande huurders met een natuurlijk moment na 2030 actief de dialoog worden aangegaan om voor 2030 over te gaan op kostprijsdekkende huur.
Daarnaast worden de consequenties van het overgaan naar een kostprijsdekkende huur voor alle contracten in kaart gebracht.
In de situatie van verlenging of het aangaan van een nieuw huurcontract (op basis van kostprijsdekkende huur) en waarbij de draagkracht van deze huurder onvoldoende is om de huur te betalen geldt het subsidiebeleid. Zie ook paragraaf 2.7.
Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.4
Artikel 3.4.2
Overgangsperiode tot 2030
Onderdeel van Huurbeleid vastgoed