1.. De cliënt of zijn vertegenwoordiger verstrekt het college de gegevens en stukken die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

2.. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.