Binnen de bebouwde kom zijn uitstallingen als bedoeld in artikel 1.1, onder c, toegestaan indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De doorstroming van het verkeer wordt niet gehinderd.
Het onderhoud van de weg en de openbare ruimte wordt niet belemmerd. De uitstalling is eenvoudig verplaatsbaar.
Er wordt op voetpaden ten minste 1,20 meter vrije doorgang overgelaten. Voor zover van toepassing mogen uitstallingen ook tussen de pilaren van de galerij / arcade worden geplaatst, mits de vrije doorgang onder de galerij / arcade ten minste 1,20 meter breed is.
Winkels en ondernemingen zonder eigen ingang op de begane grond mogen één stoepbord op de begane grond plaatsen mits het stoepbord niet direct voor de gevel van een ander pand staat.
De uitstalling wordt niet op voor parkeren bestemde weggedeeltes geplaatst. Het gebruik en de bereikbaarheid van parkeervakken en/of fietsenstallingen wordt niet gehinderd door de uitstalling.
De maximale diepte van de uitstalling, gemeten van de pui, is 1,20 meter.
De uitstalling is niet breder dan de breedte van het bedrijfspand, waarbij de uitstalling hoort.
Ramen, voor zover geschikt als vluchtweg, deuren en brandkranen worden vrijgelaten.
Het is niet toegestaan om fysieke veranderingen, bevestigingspunten of vaste elementen in of aan de weg aan te brengen.
Objecten worden niet op of aan openbare voorzieningen geplaatst of bevestigd.
In de uitstalling bevinden zich geen voorwerpen die een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid of veiligheid.
De uitstalling is netjes en ordelijk.
Er is geen sprake van een welstandsexces zoals bedoeld in de nota ruimtelijke kwaliteit.
De uitstalling dient na sluitingstijd van het bedrijf opgeruimd te worden.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.1
Uitstallingen binnen de bebouwde kom
Onderdeel van Objectenbeleid Dijk en Waard 2022