Periodieke woonkosten van huurders komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking omdat:
zij behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die worden geacht uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm betaald te kunnen worden; en
de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt beschouwd als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is.
In afwijking op het eerste lid is bijzondere bijstand mogelijk indien:
de periodieke woonkosten hoger zijn dan hetgeen aan woonkosten betaald kan worden uit de bijstandsnorm; en
er sprake is van noodzakelijke zelfstandige huisvesting.
De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend op basis van de rekensystematiek van de Wet op de huurtoeslag.
De in het tweede lid bedoelde woonkostentoeslag wordt toegekend voor de periode van maximaal 6 maanden en kan na afloop telkens met een jaar worden verlengd indien belanghebbende nog niet over goedkopere woonruimte beschikt en dit hem niet te verwijten valt.
Aan deze toekenning wordt aan de belanghebbende met woonkosten hoger dan de maximale huurgrens als bedoeld in artikel 13 Wet op de huurtoeslag, op grond van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting opgelegd om binnen een te bepalen periode actief te zoeken naar goedkopere huisvesting. Hierbij wordt in ieder geval verwacht dat belanghebbende:
ingeschreven staat als woningzoekende;
consequent en adequaat reageert op aangeboden goedkopere huisvesting, ongeacht de aard of de ligging van de woning.
Hoofdstuk 4. › Paragraaf 3.
Artikel 4.11.
Woonkostentoeslag huurders en verhuisplicht
Onderdeel van Beleidsregels rechtmatigheid Participatiewet, IOAW en IOAZ 2025 gemeente Dantumadiel