In deze paragraaf worden de onderstaande keuzes van gebiedsspecifiek beleid toegelicht die van toepassing zijn voor alle zones van de bodemkwaliteitskaart.
Niet gezoneerde gebieden;
Gevoelige gebruiksfuncties;
Grondverzet dieper dan 2 m-mv;
Bodemvreemd materiaal;
Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen;
Wegbermen langs provinciale en rijkswegen;
Verspreiden van bagger en baggerdepots;
Kabels- en leidingen;
Omgevingsvergunning bouwen;
Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet;
Verbod thermisch gereinigde grond
Ad. 1: Niet gezoneerde gebieden
In de gemeente Leusden bevinden zich meerdere grootschalige locaties die zijn aangemerkt als ‘niet gezoneerde gebieden’. Deze locaties omvatten de Leusderheide, een voormalig militair oefenterrein in het zuidwesten van de gemeente, de militaire begraafplaatsen en Kamp Amersfoort ten westen van Leusden nabij de grens met gemeente Amersfoort en stortlocatie ’t Sluisje aangrenzend aan de woonkern Leusden.
Van deze terreindelen is bekend dat op meerdere plaatsen de milieukwaliteit van de bodem negatief is beïnvloed door activiteiten in het verleden. Vanwege de aanwezigheid van puntbronnen en de heterogeniteit is het niet mogelijk om een gemiddelde ontgravingskwaliteit te bepalen en zijn deze gebieden uitgesloten in de ontgravingskaart (zie kaartbijlage 3).
Deze gebieden fungeren voornamelijk als natuurgebied of toekomstige woonlocatie. Op de toepassingskaart in kaartbijlage 4 is aangegeven welke kwaliteit er mag worden toegepast.
Ad. 2: Gevoelige gebruiksfuncties
Binnen de gemeente liggen terreindelen met gevoelige gebruiksfuncties. Onder gevoelige functies wordt in dit verband verstaan:
Moestuinen/volkstuinen (risicogevoelig vanwege de inname door gewasconsumptie);
Kinderspeelplaatsen (risicogevoelig vanwege hand-mond gedrag van kinderen)
Ad.2.1
Volgens het generieke beleidskader mag in volks- en moestuinen alleen schone grond (AW2000) worden toegepast.
De gemeente Leusden kiest ervoor om voor volks- en moestuinen het generieke beleid te volgen (alleen toepassen van schone grond).
Ad. 2.2
Voor kinderspeelplaatsen is hand-mondgedrag van kinderen de blootstellingsroute die het meest van belang is voor het berekenen van de potentiële humane risico’s. Om de werkelijke humane risico’s in te kunnen schatten zou eigenlijk onderscheid gemaakt moeten worden in het soort speelplaats of -tuin. Op speelplaatsen waar voornamelijk peuters en kleuters (kinderen tot 6 jaar) spelen en waar direct contact met de grond mogelijk is, zou je het liefst schone grond als toepassingseis willen hanteren. Als het gaat om speelplaatsen waar voornamelijk kinderen spelen die ouder zijn dan 6 jaar en waar je niet direct in contact kan komen met de grond (bijvoorbeeld een trapveldje) is het hand-mondgedrag een stuk minder en zou zonder risico klasse Wonen-grond toegepast kunnen worden.
In de praktijk is het lastig om bij elke toepassing van grond op plaatsen waar kinderen kunnen spelen bovengenoemd onderscheid in soort speelplaats te maken en het verschil uit te leggen aan de omwonenden. Daarom geldt voor alle hierboven genoemde gevoelige functies dezelfde toepassingseis: schone grond (AW-2000). In tabel 4.4 is dit schematisch weergegeven.
Tabel 4.4: Toepassingseis voor het toepassen van grond op speelplaatsen (gebiedsspecifiek)
Zone-overkoepelend thema
Bodemfunctieklasse
Bodemkwaliteitsklasse
Gebiedsspecifieke toepassingseis
Speelplaatsen
Wonen
AW2000
AW2000
Ad. 3: Grondverzet dieper dan 2 m-mv
De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) en de ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv). Voor grond afkomstig van een diepte groter dan 2 m-mv is de kwaliteit niet bekend en is de BKK formeel niet van toepassing. Uit de praktijk blijkt dat grond die dieper vrijkomt dan 2 meter ongeveer dezelfde kwaliteit heeft als de bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv. Daarom gelden in de gemeente Leusden voor het grondverzet in de bodemlaag dieper dan 2,0 m-mv dezelfde regels als voor grond uit de bodemlaag 0,5 - 2,0 m-mv.
Ad. 4: Bodemvreemd materiaal
In de bodem komen verschillende bijmengingen voor. Dit kunnen natuurlijke materialen zijn zoals stenen of schelpen, maar bijmengingen zijn vaak ook niet natuurlijk zoals puin, plastic en glas. In het verleden zijn beleidsmatig verschillende percentages gehanteerd van de hoeveelheid bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond. Een gemeente heeft de mogelijkheid om het percentage bodemvreemd materiaal vast te stellen tot een maximum van 20 % (gewichtsprocent).
De gemeente Leusden kiest er voor om in grond die toegepast wordt in het buitengebied en op gevoelige locaties (zie tabel 4.4) een hoeveelheid bodemvreemd materiaal toe te staan die niet meer is dan 5 gewichtsprocenten. Ook in andere situaties kan een hoeveelheid van 20 % bodemvreemd materiaal onwenselijk zijn, gelet op de gebruiksfunctie. In bestekken kunnen desgewenst scherpere eisen worden gesteld worden aan bijmenging met bodemvreemd materiaal.
Aan de samenstelling wordt als voorwaarde gesteld dat kunststoffen (plastic, PVC, piepschuim ed.) evenals visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal, geen onderdeel mogen uitmaken van het bodemvreemde materiaal.
In de tabel 4.5 is het gebiedsspecifieke beleid voor dit thema schematisch weergegeven.
Tabel 4.5: Maximale bijmenging aan bodemvreemd materiaal (steen en hout in gewichtspercentage)
Bodemfunctieklasse
Maximaal percentage bijmenging*)
Landbouw/natuur
5%
Wonen (gevoelig gebruik, zoals wonen met tuin, moestuin en speelplaats)
5%
Wonen (geen gevoelig gebruik)
20%
Industrie
20%
geen kunststoffen en visueel waarneembaar asbesthoudend materiaal
Ad. 5: Wegbermen in het buitengebied langs gemeentelijke wegen
De kwaliteit van vrijkomende bermgrond kent veel variatie en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), lood, zink en andere zware metalen en minerale olie. Deze verontreiniging is veroorzaakt door:
depositie uitlaatgassen (PAK, lood);
afstromend regenwater (minerale olie, PAK en zware metalen);
wegfunderingsmateriaal (PAK en zware metalen);
toepassing van teerhoudend asfalt (PAK);
uitloging vangrails (zink).
Het gebiedsspecifieke beleid houdt in dat de grond uit een wegberm, zonder partijkeuring of bodemonderzoek, mag worden hergebruikt in een andere wegberm die in beheer is van de gemeente. Als men de grond elders wil toepassen dan in een wegberm die in eigen beheer is, dan is een partijkeuring noodzakelijk.
Op wegbermen met gevoelige functies mag alleen schone grond worden toegepast (zie boven).
Voor grond die van buiten de wegberm wordt toegepast, geldt de toepassingseis Klasse Industrie. Wegbermen langs onverharde wegen vormen een uitzondering hierop. Deze zijn niet verontreinigd door de naastgelegen weg. Er wordt vanuit gegaan dat de kwaliteit van grond in de wegbermen langs onverharde wegen gelijk is aan de gebiedskwaliteit. Dit betekent dat voor grondverzet de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel geldt en de toepassingseis gelijk is aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is.
Wil men bermgrond elders (dus buiten wegbermen) toepassen dan is een partijkeuring noodzakelijk om te toetsen of de toepassing is toegestaan. Voor wegbermen gelegen langs onverharde wegen moet de kwaliteit van de toe te passen grond voldoen aan de toepassingseis van de zone waarin de wegberm gelegen is.
Grond uit verdachte wegbermen moet altijd onderzocht worden. De reden hiervoor is dat het niet wenselijk is dat grondwerkers in aanraking komen met mogelijk sterk verontreinigde grond (> interventiewaarde) zonder dat de juiste veiligheidsmaatregelen getroffen zijn. Bovendien valt sterk verontreinigde grond buiten het kader van de nota bodembeheer.
Het is niet werkbaar om op een kaart aan te duiden welke wegbermen wel en niet verontreinigd zijn. Er zijn namelijk (te) veel representatieve waarnemingen van grond uit gemeentelijke wegbermen noodzakelijk om wegbermen te kunnen zoneren (dat wil zeggen: in te delen op bodemkwaliteit).
In tabel 4.6 is het gebiedsspecifieke beleid voor gemeentelijke wegbermen schematisch weergegeven.
Tabel 4.6: Overzicht gebiedsspecifiek beleid gemeentelijke wegbermen
Wegbermen langs:
Vrij grondverzet voor grond binnen de wegberm
Toepassingseis voor grond afkomstig van buiten de wegberm
Bewijsmiddel als grond buiten de wegberm wordt toegepast
Gemeentelijke onverharde wegen
Tussen bermen waar de ontgravingskwaliteit voldoet aan de toepassingseis
De toepassingseis van de zone
Bodemkwaliteitskaart
Gemeentelijke verharde wegen (onverdacht)
Tussen bermen binnen de gemeente
Klasse Industrie
Partijkeuring
Gemeentelijke verharde wegen (verdacht)
De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring
Klasse Industrie
Partijkeuring
De volgende definitie van wegbermen wordt gehanteerd: de strook van maximaal 10 meter aan beide zijden van de weg (asfaltrand), tenzij de berm langs de weg eerder wordt doorsneden door een sloot dan wel de grens van het desbetreffende perceel. Dit is visueel weergegeven in afbeelding 4.1. Het kan ook voorkomen dat er een middenberm aanwezig is. Ook voor de middenberm, groen tussen de twee wegconstructies, geldt hetzelfde beleid.
1: Begrenzing wegbermen
Bron: brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009.
Ad. 6: Wegbermen langs provinciale- en rijkswegen
De bodemkwaliteit van de wegbermen langs provinciale en rijkswegen (binnen de gemeentegrens gaat het dan om de A28 en de N226 en N227) is negatief beïnvloed door dezelfde oorzaken als bij gemeentelijke wegen. Voor het toepassen van grond afkomstig uit andere bodembeheergebieden geldt dat vrij grondverzet is toegestaan binnen de wegbermen van provinciale en rijkswegen. Voor het toepassen van de grond in wegbermen van deze wegen geldt de lokale maximale waarde Klasse Industrie.
In tabel 4.7 is een samenvatting weergegeven van grondverzet in wegbermen.
Tabel 4.7: Overzicht gebiedsspecifiek beleid provinciale- en rijkswegbermen
Wegbermen langs:
Vrij grondverzet
Toepassingseis voor grond afkomstig van buiten de wegberm
Bewijsmiddel als grond buiten de wegberm wordt toegepast
Provinciale wegen (onverdacht)
Tussen bermen van provinciale wegen binnen beheergebied
Klasse Industrie
Partijkeuring
Rijkswegen (onverdacht)
Tussen bermen van rijkswegen binnen beheergebied
Klasse Industrie
Partijkeuring
Indien verdacht
De vrijkomende grond moet altijd onderzocht worden, conform NEN5740 (VED-HE-L) of partijkeuring
Klasse Industrie
Partijkeuring
Ad. 7: Verspreiden van bagger en baggerdepots
Watergangen moeten regelmatig worden gebaggerd om uiteenlopende redenen. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor, bijvoorbeeld in bebouwde gebieden. Het is echter wenselijk om zoveel mogelijk gebiedseigen bagger te kunnen verspreiden of toe te kunnen passen binnen de gemeente of het beheergebied van aangesloten gemeenten/regio’s.
Binnen het generieke kader van het Besluit mag baggerspecie worden verspreid op aangrenzende percelen en tijdelijk worden opgeslagen in weilanddepots (voor ontwatering en rijping) op het aan de watergang grenzende perceel. Voorwaarde hieraan is dat de kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm of dat de baggerspecie aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte watergang.
In de toelichting op het Bbk wordt het begrip ‘aangrenzende perceel’ slechts summier toegelicht en er wordt geen maximale afstand genoemd. In lijn met de wens tot decentralisatie is het Bbk bewust minder sturend en kaderstellend. Nadere invulling ligt bij gemeenten en waterschappen, die kunnen vaststellen hoe de baggeractiviteiten het beste passen binnen het beheer van het gebied.
De gemeente Leusden vult het begrip aangrenzend perceel als volgt in zodat deze beter aansluit op de toekomstige eisen uit de omgevingswet: verspreiding van baggerspecie is mogelijk over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie is vrijgekomen. Voorwaarde is dat de vrijkomende natte baggerspecie aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte watergang.
Voor het opbrengen van hoeveelheden of laagdikte bij het verspreiden van baggerspecie is geen maat opgenomen in het Besluit. De aërobe afbraak van organische verontreinigingen wordt ernstig bemoeilijkt bij baggerspecielagen dikker dan 30 cm. De gemeente Leusden hanteert een maximale dikte van de baggerlaag na rijping van 30 cm.
Ad. 8: Kabels en leidingen
Veel grondwerkzaamheden bij de aanleg of vervanging van kabels en leidingen en riolering vallen onder het begrip tijdelijke uitname (par. 5.4). In het Besluit bodemkwaliteit is gesteld dat het tijdelijk uitnemen en het daarna weer terugplaatsen van grond, onder voorwaarden is toegestaan, mits deze niet is bewerkt.
Vanwege een (potentieel) verschil in samenstelling en milieukwaliteit tussen boven- en ondergrond mogen beide bodemlagen in het generieke beleidskader bij het toepassen van grond, niet zonder meer worden gemengd. Met andere woorden: ontgraven bovengrond moet als bovengrond worden toegepast, hetzelfde geldt voor de ondergrond.
Dit principe is niet in alle situaties werkbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen. Dit zijn kleinschalige grondwerken waarbij weinig ruimte is om ontgraven grond op te slaan. Grond die vrijkomt bij het graven van een sleuf wordt op een rug naast de sleuf gelegd. Vaak is bij eerdere werkzaamheden aan de kabels en leidingen de grond al geroerd en heeft herstel van het bodemprofiel geen meerwaarde.
Binnen het gebiedsspecifieke beleidskader is het daarom toegestaan om, bij tijdelijke uitname van grond bij reparatie- of vervangwerkzaamheden aan kabels en leidingen, boven- en ondergrond niet gescheiden te ontgraven en terug te plaatsen. Dit betekent dat in ontgravingstraject de boven- en ondergrond geroerd teruggeplaatst mag worden, mits de ontgravingsdiepte functioneel is. Bij hergebruik van grond uit kabel- en leidingsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van deze grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond uit de betreffende zone.
Deze werkwijze resulteert erin dat de bodem ter plaatse van leidingtracés (verder) geroerd raakt, met als gevolg het mengen van verschillende kwaliteitsklassen. Deze vermenging wordt geaccepteerd omdat:
na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating, waardoor er geen direct contact met de grond mogelijk is;
de grond ter plaatse van de leidingtracés in het verleden vaak al geroerd is bij de aanleg en en/of de ontgravingssleuf bij aanleg vaak aangevuld is met schone grond.
Bij hergebruik van grond uit kabels-, leidingen- en rioolsleuven op andere locaties wordt de kwaliteitsklasse van de vrijkomende grond gelijkgesteld aan de ontgravingsklasse van de bovengrond van de desbetreffende zone. De acceptant van de grond kan altijd om een partijkeuring vragen om de kwaliteit van de grond aan te tonen.
Ad. 9: Omgevingsvergunning bouwen
Om te mogen bouwen is in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Als onderdeel van de vergunningaanvraag kan een gemeente vragen om een bodemonderzoek. In de gemeentelijke bouwverordening (art. 2.1.5) staat vermeld in welke situatie wel/geen bodemonderzoek noodzakelijk is. Het doel van het bodemonderzoek is om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gebouwd waardoor risico’s kunnen ontstaan voor de eigenaar/gebruiker.
Omdat de BKK inzicht geeft in de gemiddelde bodemkwaliteit van de zones in het beheergebied en daarmee ook van het bouwperceel, kan deze op onderstaande wijze worden benut in de vergunningprocedure voor bouwen.
In gevallen waarin volgens de gemeentelijke bouwverordening een bodemonderzoek noodzakelijk is, als onderdeel van de vergunningaanvraag, is altijd een vooronderzoek conform NEN5725 nodig. Blijkt uit de resultaten van dit vooronderzoek dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging dan kan op basis van de ontgravingskaart (zie kaartbijlage 3A) de milieukwaliteit van de bodem worden bepaald en is verder onderzoek niet nodig.
Hiervoor gelden twee uitzonderingen. Een vooronderzoek (in combinatie met de BKK) is geen geldig bewijsmiddel in het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wanneer:
uit het vooronderzoek conform NEN5725 blijkt dat de locatie of een gedeelte van de locatie verdacht is. Dan dient altijd minimaal een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 te worden uitgevoerd voor het gehele deel waarop het plan betrekking heeft;
de locatie in één van de in de BKK niet gezoneerde gebieden gesitueerd is (zie tabel 0.1). Hier dient na een vooronderzoek conform NEN5725 altijd een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd te worden.
Ad. 10: Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet
Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeente de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen.
De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond moet aandacht worden besteed aan het (eventueel) voorkomen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. De gemeente Leusden houdt een digitale kaart bij waarop de locaties aangegeven staan waar de Japanse Duizendknoop is waargenomen (https://www.leusden.nl/leusdenopdekaart). Deze kaart wordt door de gemeente actueel gehouden.
Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/.
Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieveexoten/.
Ad. 11: Verbod thermisch gereinigde grond
Uit onderzoek van onder andere het RIVM is gebleken dat de toepassing van thermisch gereinigde grond kan zorgen voor uitloging van zware metalen en zouten in het grond- en oppervlaktewater. Deze situatie is niet bevorderlijk voor de flora en de fauna in de bodem. Binnen Nederland zijn er het voorbeelden van grootschalige toepassingen van thermisch gereinigde grond waarbij er milieuproblemen zijn ontstaan, waaronder de Westdijk in Bunschoten en de Perkpolder in Zeeland.
De gemeente Leusden heeft aangegeven onder geen beding thermisch gereinigde grond te accepteren.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.3
Zone-overkoepelend gebiedsspecifiek beleid
Onderdeel van Nota bodembeheer gemeente Leusden