Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.3

PROCES: VAN INITIATIEF NAAR UITVOERING

Onderdeel van Beleidsregels Gids Buitenkans

Deze paragraaf maakt onderscheid in de processtappen voor de initiatieven die passen binnen de regels van de Gids (hoofdstuk 3 en 4) en de meer complexe maatwerkgevallen (hoofdstuk 5). Het stroomschema geeft de grote stappen weer, zonder daarbij dieper in te gaan op wettelijke procedures met bevoegdheden, termijnen, terinzagelegging, bezwaar en beroep etc. De stappen die een vergunningaanvraag doorloopt zijn niet apart vermeld. Ook kan de Gemeenteraad nadere afwegingen maken over haar rol bij de wettelijke procedures (delegatie aan het College, adviesrol Gemeenteraad) en over de wijze waarop de gemeente omgaat met participatie (Participatieverordening). In bijzondere gevallen, als bijvoorbeeld een Milieueffectrapport moet worden opgesteld, komen er nog meer stappen bij. Deze Gids volgt vanzelfsprekend de huidige en toekomstige wettelijke regels en de keuzen die de Gemeenteraad over de toepassing daarvan maakt. Toch is het zinvol om de grote stappen van de procedure ook in deze Gids op te nemen. Hieronder is op hoofdlijnen weergegeven wat de initiatiefnemer van de gemeente kan verwachten als de initiatiefnemer zich meldt met een initiatief. Dat eerste moment noemen we de ‘intake’. Bij elk voorstel heeft de initiatiefnemer de taak het plan zelf op te stellen, uit te werken en te onderbouwen. De gemeente is een klankbord, denkt mee en helpt de regels uit te leggen. De verantwoordelijkheid voor het plan en voor de vergunningaanvraag ligt echter altijd bij de initiatiefnemer. De gemeente neemt uiteindelijk de beslissing om medewerking te verlenen en uiteindelijk de vergunning al dan niet te verlenen. STAP 1: INTAKE & EERSTE BEOORDELING De initiatiefnemer meldt zich bij de gemeente of doet een digitaal verzoek tot vooroverleg via het landelijke omgevingsloket. De initiatiefnemer licht het idee of plan (mondeling dan wel schriftelijk/digitaal) toe en de gemeente informeert de initiatiefnemer over de mogelijkheden en de verdere procedure. De initiatiefnemer krijgt een planbegeleider vanuit de gemeente toegewezen; hij/zij coördineert het proces binnen de gemeente en is voortaan vanuit de gemeente het eerste aanspreekpunt voor de initiatiefnemer. Na de intake gaat de gemeente het initiatief globaal beoordelen. Het is mogelijk dat de informatie die is verkregen bij de intake daarvoor volstaat. Het kan ook nodig zijn dat de initiatiefnemer een globaal plan aanlevert. Afhankelijk van de aard en omvang van het initiatief bezoekt de gemeente de ontwikkellocatie en/of informeert ter oriëntatie bij betrokkenen. De planbegeleider vanuit de gemeente koppelt het resultaat van de beoordeling terug aan de initiatiefnemer. Een mogelijke uitkomst is dat het initiatief volgens de gemeente niet binnen de regels tot uitvoering kan komen en/of niet voldoet aan de gemeentelijke ambities. Ook kan de informatie zo beperkt zijn, dat een beoordeling nog niet mogelijk is. Het initiatief is dan volgens de gemeente niet kansrijk en er is geen reden voor een volgende stap. Het is aan de initiatiefnemer om het initiatief te stoppen of het plan te veranderen of te verduidelijken. De gemeente kan een gewijzigd of verder uitgewerkt plan wederom beoordelen. Als het initiatief kansrijk is, geeft de gemeente aan wat de vervolgstappen zijn en welke termijnen de gemeente in grote lijnen aanhoudt. De gemeente informeert de initiatiefnemer op welk moment gedurende het proces kosten in rekening worden gebracht voor het in behandeling nemen van het initiatief. Voor een eenduidig en compleet initiatief dat past binnen de regels van de Gids en met weinig invloed op de omgeving kan de initiatiefnemer mogelijk direct een vergunningaanvraag voorbereiden. Dan worden de meeste processtappen overgeslagen. In alle andere gevallen wordt aangegeven of het plan kan worden beoordeeld met de toepassing van de regelingen en regels uit hoofdstuk 3 en 4 van deze Gids, dan wel dat sprake is van een plan waarvoor deze regels niet toereikend zijn. Dat zullen de meer ingewikkelde gevallen zijn, met een plan dat bestaat uit verschillende onderdelen en met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving. Het kan ook gaan om iets heel nieuws, dat bij de voorbereiding van de Gids niet is voorzien of waarvoor geen regels zijn opgenomen. Dan wordt het initiatief als ‘maatwerk’ aangemerkt en wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in hoofdstuk 5 van de Gids. Ook daarbij zal de procedure verschillen naar gelang de omvang van zwaarte van het initiatief. Of een initiatief valt onder de gebiedsgerichte aanpak, omvangrijk of klein maatwerk wordt bij de intake bepaald. Bij de uitwerking van het initiatief kan overigens blijken dat die inschatting niet juist was en dat aanpassing van de procedure nodig is. De volgende stap is de verkenning. STAP 2: VERKENNING: PLAN, HAALBAARHEID EN DRAAGVLAK De gemeente en de initiatiefnemer verkennen de mogelijkheden van het plan en de kansen om ruimtelijke kwaliteit toe te voegen. De initiatiefnemer werkt het plan verder uit. Daarbij gaat het om de volgende onderdelen: Het plan en de haalbaarheid De initiatiefnemer moet zijn/haar initiatief zo omschrijven en tekenen, dat de gemeente en de ‘buren’ een goede indruk krijgen van het plan en van de gevolgen voor de omgeving. Ook moet worden aangegeven hoe het plan past bij de vier ontwikkelingsprincipes uit de Visie landelijk gebied. Zo mogelijk wordt bijgedragen aan alle vier de ontwikkelingsprincipes, maar in elk geval wordt ingegaan op de manier waarop het initiatief past in het landschap. Wat vindt de omgeving/participatie De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk om zijn/haar plan kenbaar te maken bij de omliggende eigenaren en bewoners en andere belanghebbenden (hier aangeduid met ‘buren’). De gemeente gaat ervan uit dat de initiatiefnemer dit in elk geval doet, voordat de formele procedure start. Zo wordt voorkomen dat bijvoorbeeld de Dorpsraad en omwonenden via de gemeente over het initiatief hoort, in plaats van via de initiatiefnemer. Van de initiatiefnemer wordt ook gevraagd om bij deze ‘buren’ te informeren wat zij van het plan vinden. De initiatiefnemer geeft vervolgens aan de gemeente zijn/haar indruk van het overleg. Ook als de initiatiefnemer er niet in slaagt om het gesprek met omwonenden te voeren, moet dat met reden worden vermeld. Waar dat van toepassing is wordt de gemeentelijke Participatieverordening gevolgd. Voor plannen die grote gevolgen hebben in de omgeving van het initiatief, kan ook een gebiedsaanpak nodig zijn (zie hoofdstuk 5). De participatie is bedoeld om inzicht te krijgen in de standpunten en overwegingen van de omgeving van het plan of plangebied. Instemming met het initiatief is geen vereiste. Wel worden de reacties van de omgeving en de wijze waarop de initiatiefnemer daarmee omgaat meegewogen bij de beoordeling van het initiatief. De verkenning kan worden afgerond als voldaan wordt aan de volgende uitgangspunten: De gemeente ziet dat het uitgewerkte initiatief voldoende duidelijk is uitgewerkt. Als het plan past binnen de gestelde kaders (wettelijke regels, ruimtelijke kaders van de gemeente, regels uit de Gids). Als participatie heeft plaatsgevonden (let op: er geldt geen vereiste dat overeenstemming is bereikt). Als de verkenning tot voldoende duidelijkheid heeft geleid kan de volgende stap zijn: de aanvraag van de omgevingsvergunning. Maar ook kan de conclusie worden getrokken dat het initiatief weinig kansrijk is. In de meeste gevallen zal toegewerkt worden naar een principebesluit. Bij maatwerk of bij plannen waarbij de afweging van belangen complex is, kan in de volgende fase het oordeel van de Gemeenteraad worden gevraagd. De mogelijkheden voor een kansrijk initiatief zijn samengevat: Direct voorbereiden van de vergunningaanvraag. Opstellen van een overeenkomst met de initiatiefnemer, waarover het College van B&W een principebesluit nemen. Bij complexe gevallen is een toets bij de Gemeenteraad mogelijk. STAP 3: TOETS BIJ DE GEMEENTERAAD Voor een initiatief waar de Gids geen eenduidig antwoord geeft over de wenselijkheid van het plan; de mate waarin de ontwikkelingsprincipes uit de Visie landelijk gebied in het plan zijn benut en/of over het evenwicht tussen beschermen en benutten, kan het College van B&W de Gemeenteraad om haar mening vragen. Het zal altijd gaan om een initiatief van enige omvang en complexiteit. Het College van B&W kan ervoor kiezen om het plan te voorzien van een eigen voorstel (om al dan niet in te stemmen, of onder voorwaarden in te stemmen). Ook kan het de voorkeur hebben om het plan met neutrale vraagstelling ter toetsing aan de Gemeenteraad voor te leggen. De uitkomst van het beraad in de Gemeenteraad zal de grondslag zijn voor het College om een principebesluit te nemen. Als de Gemeenteraad negatief oordeelt over het initiatief, zal de gemeente de initiatiefnemer adviseren om de procedure stop te zetten, dan wel om tot (ingrijpende) aanpassingen over te gaan. STAP 4: PRINCIPEBESLUIT Direct volgend op de verkenning (stap 2) of na toetsing bij de Gemeenteraad (stap 3) ontvangt de initiatiefnemer van de gemeente een principebesluit. In geval de gemeente de intentie heeft mee te werken aan het initiatief, dan ontvangt de initiatiefnemer een ‘nieuwe initiatievenbrief’. De gemeente staat in dat geval positief tegenover het voorlopig ontwerp, de kaders van het plan zijn in grote lijnen bekend. In de brief wordt vermeld welke punten nog nader moeten worden uitgewerkt. De brief is een jaar geldig. De gemeente brengt kosten in rekening voor het behandelen van het initiatief en het nemen van het principebesluit. In de brief wordt het bedrag genoemd dat de gemeente vraagt van de initiatiefnemer voor het in behandeling nemen van het initiatief. De bijdrage wordt later verrekend met de exploitatiebijdrage. Binnen een jaar moet het definitieve ontwerp zijn goedgekeurd door de gemeente en de exploitatieovereenkomst zijn getekend. Indien dit niet het geval is, vervalt het principebesluit tot medewerking verlenen vanuit de gemeente. STAP 5: FORMELE PROCEDURE: BESTEMMINGSPLAN OF OMGEVINGSPLAN In het geval voor de uitvoering van het initiatief een wijziging van het bestemmingsplan (Wet ruimtelijke ordening) of het omgevingsplan (Omgevingswet) nodig of wenselijk is, dient de initiatiefnemer bij de gemeente een verzoek in voor herziening van het omgevingsplan. Voorafgaand aan deze fase wordt een exploitatieovereenkomst en planschadeovereenkomst opgesteld door de gemeente. De partijen gaan over tot ondertekening zodra de onderzoeken zijn uitgevoerd en daarmee de haalbaarheid van het plan is aangetoond. Tegelijkertijd zijn de gesprekken tussen gemeente en initiatiefnemer afgerond over onder andere de invulling van de ontwikkellocatie en het erfinrichtingsplan. Onderdeel van de overeenkomst met de initiatiefnemer is het vastleggen van rechten en verplichtingen, die de initiatiefnemer heeft met het krijgen van goedkeuring voor een plan. De gemeente wil immers zeker stellen dat het plan wordt uitgevoerd en in stand blijft zoals is overeengekomen. Het gaat er bijvoorbeeld om dat het erfinrichtingsplan ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd en in stand blijft. Of dat bij een Rood voor Rood- of Rood voor Groen -plan niet na kortere of langere tijd een beroep wordt gedaan op de regels voor woningsplitsing, een extra bijgebouw of andere niet beoogde bouwaanvragen doet. De initiatiefnemer kan immers via de publiekrechtelijke kant (zoals op grond van het bestemmingsplan) gebruik maken van de mogelijkheden om een zorgvuldig overeengekomen resultaat na realisatie weer aan te passen of anderszins aanvragen doen die niet passen bij de bedoeling van de regeling. Dit soort ongewenst gebruik wil de gemeenten met het afsluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst, zo nodig met boetebeding, voorkomen. De gemeente start na ondertekening de procedure voor de herziening en stelt het bestemmings-/omgevingsplan voor de betrokken percelen bij. Als geen wijziging van het omgevingsplan nodig of wenselijk is, kan deze stap worden overgeslagen en kan direct de omgevingsvergunning worden aangevraagd. STAP 6: UITVOERING VAN HET PLAN: VERGUNNINGVERLENING EN REALISATIE Afhankelijk van het initiatief volgt als laatste stap in de goedkeuring van een initiatief de vergunningverlening. De initiatiefnemer vraagt de vergunning aan en de gemeente volgt voor de beoordeling de procedure die wettelijk is voorgeschreven. Ook worden de van toepassing zijnde gemeentelijke regels en verordeningen gevolgd. Wanneer dit niet al eerder in een overeenkomst is vastgelegd, kan het zijn dat een planschadevergoedingsovereenkomst deel moet uitmaken van de aan te leveren gegevens. Als de vergunning is verleend, kan de initiatiefnemer het plan uitvoeren volgens de vergunning. De gemeente voert controle uit over de naleving van de vergunningvoorschriften.

Rechtspraak bij dit artikel