Als er in de toekomst nieuwe aanbieders komen die gebruik willen maken van autodeelplaatsen langs de openbare weg, is een afwegingskader nodig.
Belangrijk vanuit de gemeente is daarbij dat er een bijdrage wordt geleverd aan het verminderen van de parkeerdruk, dat een dienst wordt geleverd die aan bepaalde gebruikseisen voldoet, dat een zekere mate van continuïteit is gegarandeerd en dat er sprake is van een zekere mate van spreiding van de autodeelplaatsen over de gemeente.
Om voor autodeelparkeerplaatsen in aanmerking te komen dient een bedrijf daarom aan de volgende voorwaarden te voldoen:
De autodeelorganisatie beschikt over het “Keurmerk Autodelen”, uitgegeven door de stichting “Vianorm” of is aangesloten bij de stichting “gedeeld autogebruik”.
Van hierbij aangesloten organisaties mag worden aangenomen dat zij aan bepaalde kwaliteitscriteria voldoen m.b.t. klachtenafhandeling, de te gebruiken voertuigen etc.
Autodeelorganisaties die op een andere manier aantonen aan vergelijkbare kwaliteitscriteria te voldoen, kunnen ook in aanmerking komen voor autodeelplaatsen.
De autodeelplaats moet ook daadwerkelijk worden gebruikt voor autodelen.
Op de autodeelplaats staat gedurende het volledige etmaal een autodeelauto behalve indien deze in gebruik is. Dat geldt ook voor het onderhoud van de auto. Dit betekent ook dat voor auto’s die maar gedeeltelijk worden gebruikt voor autodelen, er geen autodeelplaatsen worden gemaakt.
De autodeelorganisatie gebruikt herkenbare auto’s. Door het aanbrengen van de naam van de autodeelorganisatie op de auto of door de auto’s in een huisstijl uit te voeren zijn de voertuigen herkenbaar als autodeelauto.
Om autodelen voor zoveel mogelijk bewoners bereikbaar te maken, is een zekere mate van spreiding over de gemeente wenselijk. De aanbieder echter wil graag locaties waar zoveel mogelijk potentiële gebruikers zijn; d.w.z. daar waar veel mensen wonen of daar waar veel mensen komen voor activiteiten zoals het centrumgebied. Om clustering te voorkomen mag een autodeelaanbieder daarom niet meer dan een auto op een locatie plaatsen en moeten de locaties minimaal 200 meter uit elkaar liggen.
Als de parkeerdruk in een gebied (erg) hoog is of als er in een gebied veel vraag is naar autodeelauto’s, kan het college van burgemeester en wethouders gemotiveerd afwijken van deze grens van 200 meter.