Naar hoofdinhoud
1.. Het college beoordeelt conform artikel 10 en 11 van de Verordening Wmo de noodzaak tot het verstrekken van een individuele vervoersvoorziening. De collectieve vraagafhankelijke vervoersvoorziening geldt hierbij als een voorliggende voorziening. 2.. Indien een collectieve vraagafhankelijke vervoersvoorziening niet of niet voldoende de beperkingen van de aanvrager compenseert, kan de aanvrager in aanmerking worden gebracht: voor een aanpassing van de eigen auto éénmaal per 7 jaar, dan wel een persoonsgebonden budget ter hoogte van maximaal de aanpassingskosten van de eigen auto. Er wordt altijd gekeken naar de oplossing die het goedkoopst-adequaat is. Indien de aanvrager een duurdere oplossing wenst, zijn de extra kosten voor eigen rekening; indien de aanvrager geen eigen auto heeft, voor een tegemoetkoming in de taxikosten voor €602,- per jaar, met dien verstande dat indien de partner eveneens in aanmerking komt voor een tegemoetkoming voor de taxikosten, de hoogte van de tegemoetkoming voor beiden wordt bepaald op anderhalf maal het geldende bedrag. De tegemoetkoming wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de autokosten volgens Nibud. 3. . De hoogte van het persoonsgebonden budget ten behoeve van een autoaanpassing voor de eigen auto, zoals bedoeld in lid 2, sub a. wordt bepaald aan de hand van tenminste 1 door de aanvrager aan het college te overleggen offerte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel