Stap 1: voldaan aan de algemene voorwaarden voor bijstand? (artikelen 11-16 + 40 lid 3 t/m 6 Participatiewet)
Bij het beantwoorden van de vraag of iemand recht heeft op bijzondere bijstand, moet eerst beoordeeld worden of de aanvrager aan de algemene voorwaarden voor bijstand voldoet. Bijzondere bijstand is namelijk een vorm van bijstand. Deze algemene voorwaarden zijn neergelegd in de artikelen 11 tot en met 16 Participatiewet en artikel 40 lid 3 tot en met 6 Participatiewet. Hieronder wordt kort ingegaan op deze eisen. Voor een meer uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar Grip (onder recht op bijstand> algemene voorwaarden recht op bijstand> uitsluiting van bijstand).
Juiste inschrijving in BRP
Alleen personen die juist zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen, hebben recht op bijstand. De grondslag hiervoor is te vinden in artikel 40 lid 3 tot en met 6 van de Participatiewet. Voor een uitgebreide toelichting op alle mogelijke situaties die zich hier voor kunnen doen, wordt verwezen naar Grip onder recht op bijstand>algemene voorwaarden recht op bijstand>koppeling recht op bijstand aan juiste inschrijving BRP.
Nederlander, in Nederland woonachtig en onvoldoende middelen
Artikel 11 Participatiewet bevat drie voorwaarden: iemand moet Nederlander zijn (of een daarmee gelijkgestelde groep), men moet in Nederland woonachtig zijn en er moet sprake zijn van onvoldoende middelen. De eis dat men in Nederland woonachtig moet zijn heeft tot gevolg dat er geen bijstand verstrekt kan worden voor kosten die buiten Nederland zijn opgekomen en kosten die niet aan Nederland zijn verbonden.
Uitsluitingsgronden
Artikel 13 Participatiewet ziet op de uitsluitingsgronden. Zo zijn onder andere mensen in detentie of mensen die een militaire dienstplicht vervullen, uitgesloten van bijstand. Speciale aandacht verdient artikel 13 lid 2 Participatiewet, waarin voor bepaalde groepen is bepaald dat deze geen recht hebben op algemene bijstand, maar wel op bijzondere bijstand.
Noodzakelijke kosten van bestaan
Artikel 14 Participatiewet geeft een opsomming van niet-noodzakelijke kosten van bestaan. Als er sprake is van niet-noodzakelijke kosten kan er geen bijstand verleend worden. In artikel 14 is een vijftal situaties opgesomd waarin niet gesproken kan worden van noodzakelijke kosten van het bestaan. Kosten met betrekking tot de volgende zaken worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend:
Het voldoen aan alimentatieverplichtingen (sub a);
de betaling van een boete (sub b);
geleden of toegebrachte schade (sub c);
vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering (sub d). Een voorbeeld hiervan is een vrijwillige verzekering in het kader van de AOW.
kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden (sub e).
Dit betekent niet dat andere kosten ook als niet-noodzakelijk aangemerkt kunnen worden. Zo kan bijvoorbeeld ook geen bijstand verleend worden voor een verhuizing naar het buitenland.1CRvB 18-06-1999,nr. 97/8988 ABW.
Voorliggende voorziening
In artikel 15 lid 1 Participatiewet is bepaald dat bijstand, en daarmee ook bijzondere bijstand, alleen maar verleend kan worden als er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht toereikend en passend te zijn voor de belanghebbende. Is er dus sprake van een voorliggende voorziening, dan kan er in principe geen bijstand verleend worden.
Maar wanneer is er nu sprake van een voorliggende voorziening? Artikel 5 onderdeel e van de Participatiewet geeft hier antwoord op. Het gaat om elke voorziening buiten de Participatiewet waarop een belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. Van belang is dat het niet relevant is dat het een voorziening om niet is. Met andere woorden: ook een lening kan een voorliggende voorziening zijn. Andere voorbeelden zijn een WW-uitkering of een inkomen op grond van de Wsf 2000.
Daarnaast is in datzelfde lid bepaald dat het recht op bijstand, en daarmee dus ook het recht op bijzondere bijstand, zich ook niet uitstrekt tot de kosten die in de voorliggende voorziening niet als noodzakelijk worden aangemerkt. Zo heeft de wetgever bijvoorbeeld bepaalde behandelingen in het basispakket van de zorgverzekering aan een maximum gebonden. De wetgever is van mening dat op deze wijze de kosten adequaat worden vergoed. Het is dan niet mogelijk om hiervoor bijzondere bijstand te verstrekken. Dit is niet van toepassing als de wetgever enkel om budgettaire redenen voor een maximum heeft gekozen. In die gevallen kan wel bijzondere bijstand verleend worden. Ook als binnen de voorliggende voorziening er bewust voor is gekozen dat een bepaalde vergoeding niet noodzakelijk is, dan kan er geen bijzondere bijstand verleend worden.
Als de gemeente een aanvraag afwijst omdat de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, dan dient vast te staan dat de aanvrager ook daadwerkelijk een beroep kan doen op deze voorliggende voorziening. Als de aanvrager bijvoorbeeld niet meer kan aanvragen bij de voorliggende voorziening omdat hij te laat is, dan kan de aanvraag niet worden afgewezen met de motivering dat hij een beroep kan doen op een voorliggende voorziening. De gemeente moet dan onderzoeken of de aanvrager verwijtbaar heeft gehandeld. Is dit het geval, dan dient de gemeente de bijzondere bijstand af te stemmen op de mate van verwijtbaar gedrag. Daarnaast kan bezien worden of de bijzondere bijstand dan als lening met terugbetalingsverplichting verstrekt moet worden.
In Grip is het volgende beoordelingsschema opgenomen met betrekking tot de voorliggende voorziening:
Bijstandsverlening is niet mogelijk indien:
de kosten kunnen worden vergoed op grond van een voorliggende voorziening;
de kosten op grond van een beleidskeuze van niet-budgettaire aard uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van de voorliggende voorziening zijn gelaten;
de kosten op grond van de voorliggende voorziening niet worden vergoed nadat een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden. Bijstandsverlening is wel mogelijk indien:
er geen daadwerkelijk beroep op de voorliggende voorziening mogelijk is;
de betreffende kosten (deels) om budgettaire redenen niet of niet langer op grond van een voorliggende voorziening worden vergoed (denk aan eigen bijdragen);
de betreffende kosten niet op grond van de voorliggende voorziening worden vergoed vanwege overwegingen ten aanzien van de vaststelling van de reikwijdte van de voorliggende voorziening;
voor de betreffende kosten geen voorliggende voorziening bestaat;
er sprake is van zeer dringende redenen. Het moet hier gaan om uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van levensbedreigende situaties of wanneer er wel een voorliggende voorziening is maar het nog enige tijd duurt voordat deze voorziening daadwerkelijk uitkeert.
Let op: is er sprake van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 Participatiewet dan kan geen toepassing meer worden gegeven aan artikel 35 Participatiewet en dus geen bijzondere bijstand worden verleend.
Stap 2: voldaan aan het stappenschema van de Centrale Raad van Beroep?
Bij de beoordeling van de bijzondere bijstand dient een volgorde te worden aangehouden, die door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is afgeleid uit de wet2Zie bijvoorbeeld CRvB 01-05-2013, nr. 11/6252 WWB. Hierin worden de diverse aspecten van het recht op bijzondere bijstand beoordeeld aan de hand van de volgende 4 vragen:
1. Doen de kosten zich voor?
Zo ja, beoordeel dan vraag 2. Zo nee, wijs de aanvraag af.
2. Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?
Zo ja, beoordeel dan vraag 3. Zo nee, wijs de aanvraag af.
3. Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?
Zo ja, beoordeel dan vraag 4, zo nee wijs de aanvraag af.
4. Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Zo nee, wijs de aanvraag toe. Zo ja, wijs de aanvraag af.
Een uitgebreide toelichting op dit stappenschema is te vinden in Grip onder bijstand> recht op bijzondere bijstand> beoordeling aanvraag bijzondere bijstand (vraag 1 t/m 4). Daar zijn ook tal van voorbeelden te vinden van bijvoorbeeld kosten die zich niet voordoen (bijvoorbeeld als er sprake is van gederfd inkomen) of kosten die door de Centrale Raad als niet-noodzakelijk zijn aangemerkt (zoals bijvoorbeeld premies voor een aanvullende zorgverzekering of verlenging van het grafrecht). Bij het doorlopen van het stappenschema moet dan ook altijd Grip geraadpleegd worden.
Let op: wordt aan deze eisen voldaan, dan moet bijzondere bijstand verstrekt worden. Ook is het van groot belang om het stappenschema goed te doorlopen en niet alleen vraag 4 (kunnen de kosten worden voldaan) te beantwoorden. Pas als het antwoord op vraag 1, 2 en 3 ja is, kan vraag 4 beantwoord worden.
Hoofdstuk
Artikel 1.5
Beoordeling van het recht op bijzondere bijstand
Onderdeel van Richtlijnen Bijzondere Bijstand 2023