1.6.1Inleiding
Om de hoogte van de bijzondere bijstand te bepalen, moet de draagkracht van de belanghebbende bepaald worden. Om deze draagkracht (welke middelen door de belanghebbende ingezet kunnen worden om de bijzondere kosten te betalen) te kunnen bepalen, moet eerst vastgesteld worden welke middelen in aanmerking genomen worden. Deze middelen bestaan uit inkomen en vermogen voor zover de belanghebbende er redelijkerwijs over kan beschikken. Zit een belanghebbende in een schuldsaneringstraject op grond van de WSNP, dan kan alleen draagkracht berekend worden over de middelen waarover de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft.
Voorbeeld:
Als iemand een wettelijk of een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, wordt al het meer inkomen en 5% van de toepasselijke bijstandsnorm aangewend voor de aflossing van schulden. Er blijft dan 95% van de geldende bijstandsnorm over om (vrij) te besteden.
In die gevallen wordt het deel van het inkomen dat wordt gebruikt voor schuldaflossing niet meegerekend bij het vaststellen van de draagkracht.
De regels voor het bepalen van de middelen zijn te vinden in de artikelen 31-34 Participatiewet. Let op: voor bijzondere bijstand gelden enkele afwijkende bepalingen, zo volgt uit artikel 35 Participatiewet. Een nadere toelichting kan worden gevonden in Grip onder bijstand>bijzondere bijstand> hoogte en vorm van de bijstand> in aanmerking te nemen middelen.
Het inkomen bestaat uit alle netto inkomensbestanddelen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken voor zover deze meer bedragen dan de bijstandsnorm (artikel 31 lid 1 Participatiewet). De bijstandsnorm is geen onderdeel van het inkomen (zie artikel 32 Participatiewet en artikel 35 lid 1 Participatiewet). Dus er is pas sprake van inkomen als dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Het vermogen bestaat uit alle netto vermogensbestanddelen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken (artikel 31 lid 1 Participatiewet).
1.6.2.Geen draagkrachtberekening
Voor klanten met een uitkering op grond van de Participatiewet wordt geen draagkrachtberekening gemaakt. In die gevallen wordt er vanuit gegaan dat er geen draagkracht bestaat.
De bijstandsnorm bestaat uit de voor de belanghebbende geldende norm + eventuele verhogingen – eventuele verlagingen en inclusief de vakantietoeslag. Dit is te vinden in artikel 5 onderdeel c van de Participatiewet en artikel 19 lid 3 van de Participatiewet.
1.6.3Draagkrachtberekening
Voor belanghebbenden die geen uitkering op grond van de Participatiewet hebben wordt een draagkrachtberekening gemaakt. Het college heeft vrijheid om te bepalen welke middelen bij de vaststelling van de draagkracht meegenomen worden.
Hiervoor gelden de volgende regels:
Vermogen:
1. Het in aanmerking te nemen vermogen: als het vermogen van de aanvrager lager is dan het vrij te laten vermogen conform de Participatiewet, dan wordt dit vermogen, in principe, niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de draagkracht. Deze vermogensgrens is te vinden in artikel 34 lid 3 Participatiewet.
2. Voor de vaststelling van het vermogen voor de bijzondere bijstand mogen de middelen als bedoeld in artikel 34 lid 2 Participatiewet wel mee worden gerekend De middelen als bedoeld in artikel 34 lid 2 Participatiewet worden niet tot het draagkrachtvermogen van belanghebbende gerekend met uitzondering van spaargeld gespaard tijdens de uitkeringsperiode. Dit spaargeld wordt voor 100 % meegenomen bij de berekening van de draagkracht.
3. Bij één auto of motor wordt de eerste € 5.000,- als vermogen vrijgelaten.
Bij de waarde vaststelling van de auto en de motor wordt uitgegaan van de koerslijst van de ANWB/BOVAG. Indien de auto of motor niet is opgenomen in deze lijst wordt uitgegaan van de prijs die gangbaar is voor occasions van hetzelfde type en bouwjaar. Informatie daarover wordt ingewonnen bij dealers en sites op internet met tweedehands auto’s en motors.
4. De waarde van caravans, scooters, brommobielen en elektrische fietsen wordt vastgesteld aan de hand van de prijs die gangbaar is voor occasions van hetzelfde type en hetzelfde bouwjaar. Informatie daarover wordt ingewonnen bij dealers en sites op internet met tweedehands goederen.
5. De waarde van voertuigen ouder dan 25 jaar wordt vastgesteld aan de hand van een taxatierapport of schouwingsrapport. Dit rapport moet door de belanghebbende worden overgelegd. De kosten van dit taxatierapport of schouwingsrapport komen voor rekening van belanghebbende.
Inkomen:
1. Het in aanmerking te nemen inkomen wordt bepaald aan de hand van het inkomen op het moment van de aanvraag.
2. Bij onregelmatige inkomsten is het gemiddelde inkomen in de zes maanden voorafgaande aan de maand van aanvraag bepalend. Achterliggende gedachte is dat bijvoorbeeld als er sprake is van seizoensarbeid een periode van zes maanden een representatief beeld geeft van de inkomsten waarover de belanghebbende kan beschikken. Bij een korte periode kan een vertekend beeld optreden (bijvoorbeeld als in de zomer wordt aangevraagd en de belanghebbende heeft een nul-urencontract bij een camping of bungalowpark).
3. In afwijking van artikel 35 lid 1 Participatiewet worden de middelen tot 115% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor alle in deze richtlijnen genoemde kostensoorten, behalve de kostensoorten die onder paragraaf 1.6.6. staan opgesomd, niet tot het draagkrachtinkomen gerekend.
4. De middelen bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet (particuliere oudedagsvoorziening tot een bepaald bedrag) worden niet tot het draagkrachtinkomen van belanghebbende gerekend.
5. Inkomsten uit arbeid van inwonende kinderen (artikel 31 lid 2 onderdeel h van de Participatiewet) worden niet vrijgelaten, indien het bijzondere bijstand betreft voor het minderjarige kind zelf.
6. Toeslagen, waaronder huurtoeslag, zorgtoeslag en kinderopvangtoeslag worden niet tot het draagkrachtinkomen gerekend. Tenzij voor de kosten waarvoor de toeslag wordt verstrekt bijzondere bijstand wordt gevraagd.
Wsnp of vergelijkbare minnelijke regeling kredietbank
Als aanvrager in de Wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen) zit of in een vergelijkbare minnelijke regeling van de kredietbank kan een draagkrachtberekening (vermogen zowel als inkomen) achterwege blijven. Het is voldoende als in de rapportage staat dat uit overleg met de curator of de kredietbank blijkt dat sprake is van Wsnp of een vergelijkbare minnelijke regeling. De bijstand wordt om niet verleend.
Beslag
Als er executoriaal beslag ligt op het inkomen wordt dat deel van het inkomen niet tot de middelen gerekend. Voor wat betreft de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het inkomen dat resteert na het beslag. Als op voorhand bekend is dat het beslag verwijtbaar is, houden we rekening met het inkomen exclusief beslag. Het is ter beoordeling aan de consulent of het beslag verwijtbaar is.
Zelfstandigen:
1. Het jaarinkomen van zelfstandigen wordt achteraf berekend op basis van aangeleverde jaarcijfers. De bijzondere bijstand wordt dan ook verstrekt in de vorm van een geldlening.
2. Het jaarinkomen wordt berekend over een boekjaar.
3. Het vermogen van zelfstandigen wordt aangesloten bij de berekening van het vermogen zoals hierboven is opgenomen.
Inkomenstoeslag en studietoeslag
Een eventueel verstrekte inkomenstoeslag of studietoeslag wordt niet meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht.
Let op: is er sprake van gehuwden, dan tellen de middelen van beide echtgenoten mee bij de bepaling van de draagkracht.
1.6.4De draagkrachtperiode
Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking genomen worden, zo volgt uit artikel 35 lid 1 Participatiewet. De draagkrachtperiode gaat in op de eerste van de maand waarin de bijzondere bijstand wordt aangevraagd. De draagkrachtperiode is gesteld op een jaar. Dit betekent dat de draagkracht wordt bepaald door de middelen (inkomen en vermogen) die meegenomen worden bij de draagkrachtberekening in de maand waarover bijzondere bijstand wordt aangevraagd te vermenigvuldigen met 12.
Dit is alleen anders als er sprake is van wisselende inkomsten. In die gevallen wordt, zoals eerder in deze richtlijnen bepaald, uitgegaan van het gemiddelde van de inkomsten over zes maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag van de bijzondere bijstand.
Op deze regel is een uitzondering. Als met terugwerkende kracht bijzondere bijstand wordt aangevraagd, gaat de draagkracht in op de eerste van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
Is er sprake van periodieke bijzondere kosten, zoals bijzondere bijstand voor een maaltijdvoorziening, dan wordt de draagkracht naar evenredigheid toegerekend aan de maanden van het jaar waarop deze kosten betrekking hebben. Op deze manier wordt voorkomen dat de belanghebbende tijdens de draagkrachtperiode kosten moet voorschieten omdat de draagkracht over een jaar wordt berekend en niet per maand of per kwartaal.
Wordt de bijzondere bijstand beëindigd in de loop van de draagkrachtperiode, bijvoorbeeld omdat de belanghebbende verhuist naar een andere gemeente, dan wordt het teveel aan bijzondere bijstand niet teruggevorderd.
Let op: een nieuw draagkrachtjaar hoeft niet aan te sluiten op een vorig draagkrachtjaar. Bij de vaststelling van een nieuw draagkrachtjaar wordt het inkomen en vermogen opnieuw vastgesteld. Een voorbeeld kan dit misschien verduidelijken.
Als mevrouw X. op 1 januari 2020 een aanvraag voor bijzondere bijstand heeft gedaan, dan loopt de draagkrachtperiode af in op 31 december 2020.
Als zij vervolgens op 3 februari 2021 opnieuw een aanvraag voor bijzondere bijstand indient, dan wordt de draagkrachtperiode gebaseerd op de middelen die mevrouw X. heeft in februari 2021 (tenzij er sprake is van wisselende inkomsten) en niet op de middelen die mevrouw X. op 1 januari 2020 (de dag nadat de vorige draagkrachtperiode afliep) tot haar beschikking had.
1.6.5Het draagkrachtpercentage
De draagkracht wordt uitgedrukt in een draagkrachtpercentage van 25%.
Een rekenvoorbeeld kan dit misschien verduidelijken. Meneer X heeft € 5.000 aan inkomen dat meetelt voor de draagkrachtberekening voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd. Dit is zijn draagkracht. Omdat het draagkrachtpercentage op 25% is gesteld, betekent dit dat meneer X € 1.250 zelf moet betalen.
1.6.6.100 % normbedrag
Wordt bijzondere bijstand aangevraagd voor woonkosten, verhuis- en inrichtingskosten, kosten van bewindvoering, mentorschap en curatele en kosten voor de babyuitzet en babykamer, dan dienen alle middelen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm aangemerkt te worden om in deze kosten te voorzien. Zijn deze middelen onvoldoende, dan kan voor het overige bedrag bijzondere bijstand worden verstrekt volgens de regels in deze richtlijn.