1.. Giften worden bij de vaststelling van de bijstand buiten beschouwing gelaten voor zover dit uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Het college vindt de volgende giften verantwoord vanuit bijstandsverlening:

  • - “niet-periodieke” giften tot een richtbedrag van €50,00 en;
  • - “niet-periodieke” giften voor zover de giften samen het richtbedrag van € 1.200,00 per kalenderjaar niet overschrijden;
  • - giften van organisaties zoals Voedselbank, Kledingbank, fondsen en giften voor medische kosten waar geen voorliggende voorziening voor is.

2.. Giften moeten worden opgegeven als ontvangen middel met uitzondering van;

  • - “niet-periodieke” giften tot een richtbedrag van € 50,00 zolang de grens van € 1.200,00 niet is of wordt bereikt.
  • - giften van organisaties zoals genoemd in artikel 4.1. lid 1c.

3.. Giften die een “periodiek” karakter hebben worden tot de middelen van belanghebbende gerekend, ongeacht het bepaalde in het eerste lid.

4.. De leden 1 tot en met 3 laten onverlet, dat van de genoemde bedragen kan worden afgeweken indien individuele omstandigheden dit noodzakelijk of zeer wenselijk maken en dit vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening verantwoord is.

Toelichting

Artikel 31 lid 2 onderdeel m Pw bepaalt dat giften niet tot de middelen van belanghebbende worden gerekend, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn. In dit artikel heeft de gemeente vastgelegd wat als ‘verantwoord’ wordt gezien.

Deze bepaling stelt richtbedragen. Dit betekent, dat er geen sprake is van strikte (maximale) grenzen. Op basis van een individuele beoordeling kan van deze grenzen worden afgeweken. Een afwijking (tot een hoger bedrag) moet wel noodzakelijk of op zijn minst zeer wenselijk zijn. Bijvoorbeeld om bijzondere noodzakelijke kosten te dekken waar geen bijzondere bijstand voor mogelijk is. De belanghebbende zou zonder deze giften in zijn bestaan worden bedreigd.

Het bedrag van € 1.200,00 per kalenderjaar is gekozen vooruitlopend op de motie van de Tweede Kamer om tot € 1.200,00 aan giften per kalenderjaar vrij te laten. Samen met giften tot € 50,00 die niet hoeven te worden gemeld, wordt verwacht dat voor elke belanghebbende op deze manier meer dan € 1.200,00 per kalenderjaar kan worden vrijgelaten in de vorm van een gift. Het moet dan wel gaan om ‘niet-periodieke’ giften. Periodieke giften worden wel tot de middelen van belanghebbende gerekend en zullen doorgaans als inkomen gekort moeten worden.

Lid 2: Hieraan ligt ten grondslag dat het niet hoeven melden van kleine giften voor de uitvoering tot minder administratief werk leidt. Niet-periodieke giften, zijn giften die niet vallen onder de definitie van periodieke gift zoals opgenomen in artikel 1.1 onderdeel e van deze beleidsregels. Dus giften zonder een regelmatig terugkerend karakter.

Wanneer het totaal van niet-periodieke giften in het kalenderjaar boven de grens van € 1.200,00 komt dient de belanghebbende hier melding van te maken.

Het ruimhartig vrijlaten van giften kan mogelijk leiden tot minder armoede voor mensen in de bijstand.