Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Toetsingscriteria

Onderdeel van Beleidsregels uitwegen gemeente Eemsdelta 2022

Voor de aanleg of wijziging van iedere uitweg (ook de tweede en volgende uitweg(en)), binnen of buiten de bebouwde kom, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning aanleggen uitweg wordt getoetst aan de vijf weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 2:12 van de APV. Dit artikel geeft de vertaling van de weigeringsgronden naar toetsingscriteria. Bij iedere aanvraag wordt een belangenafweging gemaakt waarbij onderstaand artikel wordt meegenomen. 4.1 Ter voorkoming van gevaar voor verkeer op de weg De aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen uitweg zal door het college geweigerd worden indien door aanleg van de uitweg de verkeersveiligheid in gevaar komt. Dit is het geval indien de uitweg is voorzien: aan een gebiedsontsluitingsweg (tenzij de wegbeheerder hiermee instemt); op- of binnen 5 meter van de bocht nabij een rotonde, kruising of splitsing van wegen; op- of binnen 5 meter van een voetgangers- en/of fietsoversteekplaats; op- of binnen 5 meter van een bushalte; op een plaats waar belemmeringen ontstaan voor het in- en uitrijden met een personenauto van één of meer bestaande garages; op een plaats waar de uitweg op een fiets- en/of voetpad uitkomt en dat pad moet worden bereden om vanaf de openbare weg het perceel te bereiken; op een plaats waar verlichting of bebording is aangebracht en deze uit oogpunt van veilig gebruik van de weg niet verplaatst kan worden; op een plaats waar het zicht vanaf de uitweg op de weg/voetpad/fietspad onvoldoende is voor verkeer en er veiligere alternatieven zijn of als de aanvraag een 2e uitweg betreft; de uitweg tot gevolg heeft dat straatmeubilair of een nutsvoorziening en/of ander obstakel dienen te worden verplaatst, terwijl er in de nabije omgeving geen geschikte alternatieve locatie voor genoemde objecten voorhanden is en/of er geen overeenstemming tot verplaatsing van het obstakel is met de eigenaar. 4.2 Ter bescherming van het aantal openbare parkeerplaatsen De parkeerdruk op desbetreffende locatie is leidend. Om de parkeerdruk te bepalen kan door of namens de gemeente een parkeerdrukonderzoek worden uitgevoerd. In beginsel weigert het college de omgevingsvergunning activiteit aanleg uitweg indien de uitweg ten koste gaat van één of meerdere openbare parkeerplekken, tenzij: door realisatie van de uitweg de parkeerdruk in de openbare ruimte aantoonbaar afneemt; door realisatie van de uitweg de parkeerdruk in de openbare ruimte gelijk blijft, maar sprake is van een lage parkeerdruk; door realisatie van de uitweg de parkeerdruk in de openbare ruimte gelijk blijft, er sprake is van een (te) hoge parkeerdruk, maar naar het oordeel van het college de mogelijkheid bestaat om nieuwe (compenserende) parkeerplaatsen te realiseren. De aanlegkosten voor deze eventueel benodigde extra parkeerplek(ken) zijn voor rekening van aanvrager. op basis van een indicatie via WMO wordt aangetoond dat het noodzakelijk is dat aanvrager op eigen erf dient te parkeren. 4.3 Ter bescherming van het openbaar groen Het college weigert de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit aanleggen uitweg indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. In beginsel geldt ter bescherming van openbaar groen afdeling 3 - het bewaren van houtopstanden in de APV. Tevens is van toepassing de meest recente versie van de beleidsregels voor houtopstanden, zoals gepubliceerd in het Gemeenteblad van Eemsdelta. Indien het een aanvraag voor een eerste uitweg betreft waarbij geen alternatief voorhanden is, kan hiervan worden afgeweken. 4.4 Ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving Het college weigert een omgevingsvergunning voor de aanleg van een uitweg van een woning indien het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt aangetast. Van een aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is sprake indien: de uitweg afwijkt van de maximale breedtes zoals omschreven in bijlage 1; de uitweg leidt tot parkeren in de voortuin van tussenwoningen bij rijenbouw; de uitweg in strijd is met het geldende inrichtings-, bestemmings- en/of definitief beeldkwaliteitsplan; de uitweg afbreuk doet aan landschapsstructuren, bomenlanen en/of erfgoed; naar het oordeel van het college sterk afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke belevingswaarde van het desbetreffende gebied.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel