Ongeacht de warmteoptie is het van groot belang dat we de warmtevraag terugdringen. Hieraan zal iedereen zijn steentje moeten bijdragen door zogenaamde schilmaatregelen te nemen. Zoals isolatie van gevel, dak en vloer, vervanging van het glas door HR++-glas, het dichten van kieren.
Daarnaast hoort bij isoleren ook dat er goed gekeken wordt naar goede ventilatie van woningen en in sommige gevallen ook het vervangen van radiatoren. Om de stap naar aardgasvrij te kunnen maken zal ook de overstap naar elektrisch koken gemaakt moeten worden.
Niet alleen moeten we isoleren om de warmtevraag terug te dringen. Alternatieven voor aardgas hebben vaak een lager temperatuurniveau dan een CV-ketel kan produceren. Het water in de radiatoren van een CV-ketel kan 90°C zijn. Alternatieven zitten meestal tussen de 40 en 70°C. Vandaar dat isolatie in veel gevallen ook noodzakelijk is voordat de overstap naar een aardgasvrije warmteoptie mogelijk is.
Bij isolatiemaatregelen is het altijd de vraag hoever we moeten gaan om ‘transitiegereed’ te zijn. Met andere woorden: om klaar te zijn om de overstap te maken naar een aardgasvrij verwarmingsalternatief. We nemen in de Transitievisie Warmte als uitgangspunt dat aan het einde van de transitie zoveel mogelijk gebouwen een basisisolatieniveau moeten hebben bereikt. Ook wel de Standaard en Streefwaarden zoals genoemd in het Klimaatakkoord.12 Met dit niveau kan een woning sowieso met 70°C verwarmd worden en ook met 40°C als de binneninstallatie13 daarvoor geschikt wordt gemaakt. Dit is dus een ‘spijtvrijniveau’ waarmee een gebouw transitiegereed is voor verschillende warmteopties. Het basisniveau bereiken we als we tussen nu en 2050 bij ieder natuurlijk moment maximaal ingrijpen binnen de bestaande schil. Met natuurlijke momenten bedoelen we onderhouds- en vervangingsopgaven die in gebouwen plaatsvinden, zoals het vervangen van de dakbedekking of het buitenschilderwerk. Deze natuurlijke onderhoudsmomenten hebben elk hun eigen cyclus. In het geval van dakbedekking is deze 25 jaar voor bitumen dakbedekkingen van platte daken. Dakpannen gaan langer mee. Betonnen dakpannen moeten na zo’n 30 jaar vervangen worden. Dakpannen van klei gaan 50 tot 100 jaar mee. Buitenschilderwerk kent een cyclus van ongeveer 7 jaar. Onder maximaal ingrijpen verstaan we dat op elk moment dat er een natuurlijk onderhoudsmoment kan plaatsvinden we deze maximaal aangrijpen om te isoleren.
Nieuwere woningen, gebouwd na 1995, zitten soms al op het basisniveau. Bij oudere woningen moet er juist meer gebeuren. Die woningen zullen dus meer tijd nodig hebben om het basisniveau te bereiken. Sommige wijken, veelal van voor 1920 of monumentaal, zijn zo oud dat zij het basisniveau misschien nooit helemaal kunnen bereiken. Het aantal geschikte warmteopties voor deze wijken is dan ook beperkt. De volgende paragraaf (3.4) beschrijft in vogelvlucht de verschillende warmteopties als alternatief voor aardgas.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.3
Maatregelen in het gebouw: in alle gevallen stapsgewijs isoleren
Onderdeel van Transitievisie Warmte Enschede