De oudere bevolking en het toegenomen gebruik van mobiliteitshulpmiddelen voor zelfredzaamheid en participatie zijn maatschappelijke ontwikkelingen waar in onze samenleving en dus ook in onze fysieke leefomgeving evenwichtig mee omgegaan dient te worden. Zou de fysieke leefomgeving hier onvoldoende ruimte voor bieden, dan kan dat een achterstelling betekenen van ouderen en mensen met een fysieke beperking. Dat er niet zelden grondgebonden seniorenwoningen in een cluster tezamen in een wijk gerealiseerd zijn, of dat ouderen wonen in een meerlaags complex van senioren- of zorgwoningen, geeft extra urgentie aan het vraagstuk. Daar kunnen immers meerdere scootmobielen samenkomen in de openbare ruimte of in een hal of tuin. In het vraagstuk van scootmobielstallingen spelen ook sociaal-economische aspecten mee. Inwoners met een hoger welvaartspeil zullen vaker beschikken over een eigen, grondgebonden woning met garage of schuur, of wonen in een appartement met een ruimere hal of bergruimte. De kans is groter dat zij geen behoefte hebben aan een scootmobielstalling, of dat die discreet geplaatst kan worden in het achtererfgebied. Inwoners met een lager welvaartspeil zullen vaker wonen in een kleine, grondgebonden woning (en relatief veel daarvan hebben een kleine berging aan de voorzijde) of in een appartement met minder ruimte in de woning en in collectieve gebouwdelen. Eén en ander raakt aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur en aan grondrechten.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.2.
Rechtsbeginselen en grondrechten
Onderdeel van Ruimtelijke beleidsregel scootmobielstallingen