Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.3.

Afwijken voor bepaalde termijn

Onderdeel van Ruimtelijke beleidsregel scootmobielstallingen

Het college overweegt dat in een deel van de gevallen de behoefte aan een scootmobielstalling een min of meer vast gegeven zal zijn. Bijvoorbeeld bij een klein appartementengebouw dat door ouderen bewoond wordt. In andere gevallen kan de behoefte tijdelijk zijn, namelijk tot het herstel, verhuizen of overlijden van de individuele scootmobielgebruiker. Zoals in paragraaf 3.3 genoemd, kan voor gebruik met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bestemmingsplan voor een termijn van maximaal 10 jaar. Een aandachtspunt dat dan nog blijft bestaan, is of de bouw voor dat tijdelijk gebruik nog vergunningplichtig is. Desondanks kan deze optie van de zogenoemde kruimelgevallenregeling in sommige gevallen een oplossing bieden. Het college ziet in een tijdelijke of persoonsgebonden vergunning echter geen algemeen na te streven oplossingsrichting. Zoals aangegeven kan de behoefte aan een stalling permanent zijn, en er kan nog een bouwverbod resteren om te adresseren. Daar komt bij dat het niet klantvriendelijk is om iemand die chronisch ziek of gehandicapt is een vergunning voor 10 jaar te verlenen. De gemeente zou binnen het huidige stelsel van ruimtelijke ordening en omgevingsrecht het gebruik tijdelijk kunnen toestaan, in de verwachting dat straks onder de Omgevingswet (voordat de termijn van 10 jaar verstreken is) met ons omgevingsplan nieuwe opties in beeld komen voor een oplossing. Maar dan is het best denkbaar dat er voor die nieuwe opties criteria gaan gelden waar sommige tijdelijk toegelaten gevallen niet aan voldoen. Zou de gemeente dan stallingen alsnog moeten laten amoveren?

Rechtspraak bij dit artikel