Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.3.

Situering

Onderdeel van Ruimtelijke beleidsregel scootmobielstallingen

Het heeft in het algemeen de voorkeur om scootmobielen te stallen in bestaande bebouwing, niet op vluchtroutes en wel in een afzonderlijk brandcompartiment. Als geen ruimte met eigen brandcompartimentering (of berging brandwerend gescheiden van de woonruimte) beschikbaar is en veilig laden een zorg is, kan in een bestaand bouwwerk een blusinstallatie of ten minste een brandmelder aangebracht worden. Een woningcorporatie of de gemeente kan een klant stimuleren om gebruik te maken van een garagebox van een derde als die toevallig in de directe nabijheid van de woning van de klant beschikbaar zou zijn. Als stalling in bestaande bebouwing in redelijkheid niet mogelijk is, is te overwegen om een scootmobielstalling te plaatsen. Bij de situering daarvan zal uitgegaan worden van hoe ver de scootmobielgebruiker kan stappen en van de bestaande inrichting van het perceel, maar ook ruimtelijke kwaliteit is bij de afweging te betrekken. Het heeft in het algemeen de voorkeur om een scootmobielstalling te plaatsen achter een hoofdgebouw of naast een hoofdgebouw wanneer daar vanaf de openbare ruimte niet veel oog op valt. Een voorzijde of een zijde waar vanaf de openbare ruimte wel veel oog op valt, is minder wenselijk maar zeker niet uitgesloten. De mate waarin de situering van een scootmobielstalling visueel hinderlijk is of afbreuk doet aan cultuurhistorische waarden, ook aan een voorzijde of in een centrumgebied, is mede te bepalen in relatie tot hoe die omgeving al is ingericht en wordt gebruikt. Als een omgeving al veel straatmeubilair telt, of als er terrassen of geparkeerde auto’s aanwezig zijn, levert een scootmobielstalling wellicht nauwelijks een bijkomende belasting op.

Rechtspraak bij dit artikel