Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.2.

Openbare ruimte

Onderdeel van Ruimtelijke beleidsregel scootmobielstallingen

Voor scootmobielstallingen die in redelijkheid niet op een particulier perceel geplaatst kunnen worden, of ingeval de situering in de direct nabije openbare ruimte een betere ruimtelijke kwaliteit oplevert dan de plaatsing op het perceel bij de klant zelf, wordt overwogen om privaatrechtelijk medewerking te verlenen aan de plaatsing op gemeentegrond. De gemeente dringt hierbij niet aan op de notariële vastlegging van zakelijke rechten, een eenvoudige, niet-overdraagbare overeenkomst kan volstaan. Als een aanpassing van de openbare ruimte nodig is, worden belangen van klimaatadaptatie, biodiversiteit, ruimtelijke uitstraling, verkeersafwikkeling en parkeren hierbij betrokken. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat een scootmobielstalling wordt geplaatst op een stoep of plein, en dat die wordt omzoomd door haagbeplanting. Of bijvoorbeeld dat een autoparkeerplaats wordt omgevormd tot een scootmobielstalling met daarnaast een motorfietsparkeerplaats. De klant neemt in beginsel alle betrokken kosten van de aanpassing van de openbare ruimte op zich. Eventuele financiële dekking die de klant kan vinden bij derden of via het gemeentelijke sociaal domein valt buiten de scope van deze ruimtelijke beleidsregel (de Wmo-verstrekking kan inhouden dat de gemeente voorziet in de kosten). Voor de plaatsing van een scootmobielstalling in de openbare ruimte zorgt de gemeentelijke case manager ervoor dat de klant en de gemeente een overeenkomst sluiten over de kosten en met afspraken over het beheer. Het is goed denkbaar dat na de aanpassing van de openbare ruimte met (onder andere) aanplant van groen, de gemeente het op zich neemt om dat groen voortaan te onderhouden. Onderhoud door een woningcorporatie, door een vereniging van eigenaren of door omwonenden (groenadoptie) zijn ook opties.

Rechtspraak bij dit artikel