Zoals hierboven toegelicht is de beleidsvrijheid bij voorzieningen zeer beperkt. Dat uit zich in het geringe aantal uitgangspunten welke we voor beleid en beheer van voorzieningen onderscheiden.
Uitgangspunt V1: Het instellen en/of opheffen van een voorziening leggen we, vanuit praktisch oogpunt, voor aan de raad bij de vaststelling van de P&C-documenten
Gezien het dwingend wettelijke karakter is er in de regel geen ruimte om af te wijken van hetgeen is voorgesteld. Feitelijk is het college daarom bevoegd tot het instellen en/of opheffen van voorzieningen (uitgezonderd voorzieningen zoals genoemd onder uitgangspunt V2).
Uitgangspunt V2: Voor het instellen of opheffen van een voorziening waaraan een beleidswijziging ten grondslag ligt, is een expliciet raadsbesluit nodig
Hiermee bedoelen we het instellen of opheffen van een voorziening ter egalisatie van de kosten, zoals een voorziening voor meerjarig (groot) onderhoud. De bedoeling van een dergelijke voorzieningen is een gelijkmatige verdeling van lasten en/of baten over een aantal (toekomstige) begrotingsjaren. Aan deze voorzieningen liggen (beleids-)keuzes ten grondslag en is daardoor een raadsbevoegdheid.
Uitgangspunt V3: Wanneer het doel waarvoor de voorziening is gevormd niet meer bestaat, of is gewijzigd, valt de voorziening vrij ten gunste van de exploitatie
De voorziening wordt opgeheven en het eventuele restantsaldo komt ten gunste van het betreffende programma. Als voor het gewijzigde doel een voorziening dient te worden gevormd, gelden de regels voor het instellen van een nieuwe voorziening.