**1..** Een lid van het Algemeen Bestuur verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, die hem heeft aangewezen, alle inlichtingen, die één of meer leden van dat college van hem verlangen.
**2..** De inlichtingen worden schriftelijk gevraagd. De vragensteller vermeldt daarbij dat of schriftelijk dan wel mondeling antwoord wordt verlangd. De vragen worden bij de voorzitter van het college van burgemeester en wethouders ingediend.
**3..** De vragen worden, indien de vragensteller om een mondelinge beantwoording heeft gevraagd, in de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en wethouders beantwoord.
Indien om een schriftelijke beantwoording is gevraagd, geschiedt deze uiterlijk binnen acht weken, nadat de vragen zijn ingediend.
Een afschrift van de gestelde vragen en, indien de beantwoording schriftelijk is geschied, een afschrift van het antwoord, worden aan de leden van het college van burgemeester en wethouders ter kennisname toegestuurd.
**4..** Indien de beantwoording binnen de in het vorige lid genoemde termijnen redelijkerwijs niet mogelijk is, geschiedt deze zo spoedig mogelijk daarna schriftelijk.
In dit geval wordt zulks aan de vragensteller en de leden van het college van burgemeester en wethouders, onder opgave van redenen tijdig medegedeeld.
**5..** Degene, die overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, vragen heeft gesteld, kan bij de mondelinge beantwoording in dezelfde vergadering en bij de schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende vergadering, zonder verlof van het college van burgemeester en wethouders, nadere inlichtingen vragen omtrent het door het lid van het Algemeen Bestuur gegeven antwoord.
Hoofdstuk III. › Paragraaf
Artikel 19.
Artikel 19.
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant