Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland

metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil

verplaatsen, moet de ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid,

onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid

van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn

niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland

bevinden.