Nederland heeft een rijkdom aan historie. Voor velen heeft de kwaliteit van de leefomgeving iets te maken met historische wortels. Vaak in de vorm van ankerpunten in het landschap als oude gebouwen, een boom of een sluisje, waaraan een historisch verhaal of gebeurtenis is verbonden. Het ontbreken van dit soort zaken wordt in nieuwe woon- en werkgebieden bewust of onbewust als een gemis ervaren. Archeologie en cultuurhistorie in het algemeen kunnen een tegenwicht bieden aan de toenemende eenvormigheid van onze leefomgeving. Zij dragen bij aan de identiteit die mensen ontlenen aan een gebied of plek, en fungeren op die manier als inspiratiebron en kwaliteitsimpuls voor ruimtelijke opgaven. Zo kan een belangrijke bijdrage worden geleverd om ook in nieuwe inrichtingsplannen geschiedenis een plaats te geven of zelfs nieuwe geschiedenissen te laten ontstaan. Deze denk- en werkwijze wordt ook wel behoud door ontwikkeling genoemd, en komt voort uit de Rijksnota Belvédère.
Wat nodig is, is een aantrekkelijke vertaalslag waarin stedenbouwkundigen, landschapsarchitecten, archeologen en kunstenaars elkaar weten te vinden. Indien we erin slagen een stukje al dan niet opgegraven geschiedenis te visualiseren in het straatbeeld dan kan dit bijdragen aan verhoging van de kwaliteit en de identiteit van de leefomgeving. Op die manier kost archeologie niet alleen geld, maar is er ook sprake van return on investment.
Algemeen beleidsuitgangspunt is dat archeologische resten bij voorkeur in de grond (in situ) behouden worden (conform het Malta-principe en de Wamz). Het vermijden van kostbare opgravingen is niet alleen vanuit overwegingen van kostenefficiëntie beter, behoud in situ maakt ook voor toekomstige generaties het kennismaken met het verleden mogelijk. Opgraven wordt eigenlijk gezien als second best optie, maar in de praktijk blijkt meestal toch de voorkeur te worden gegeven aan de ontwikkeling van een gebied, en daarmee ook de keuze voor opgraven. Vanuit behoudsdoelstelling is het van belang dat bij het ontwerp en de voorbereiding van nieuwbouwplannen in gebieden waar archeologische waarden aanwezig zijn, in een zo vroeg mogelijk stadium onderzocht wordt in hoeverre archeologische resten via civieltechnische maatregelen in situ kunnen worden veiliggesteld. Hoewel dit soort maatregelen soms enige creativiteit en flexibiliteit aan de ontwerpkant vereisen en soms ook additionele kosten in de uitvoering met zich meebrengen, wegen deze investeringen over het algemeen in ruime mate op tegen de kosten van een uitgebreide opgraving.
Bij inpassingsmaatregelen en archeologiesparend bouwen kan concreet gedacht worden aan het vermijden van de aanleg van (parkeer)kelders, het toepassen van zogenaamde zettingsvrije constructies, het bouwen op bestaande funderingen of het toepassen van draagconstructies boven archeologisch waardevolle lagen. Bij projecten in archeologisch waardevolle gebieden of zones met een hoge verwachting waar de gemeente als (gedeelde) opdrachtgever optreedt, laat de gemeente, daar waar redelijkerwijs mogelijk, dergelijke archeologische maatregelen opnemen in het programma van eisen van het ontwerp.
Beleidsregel 1.
De gemeente Boekel behoudt zoveel als mogelijk de archeologische resten in de grond (behoud in situ) en laat waar redelijkerwijs mogelijk de maatregelen ter bescherming en behoud van de archeologische resten opnemen in het programma van eisen van het ontwerp.
Hoofdstuk III. › Paragraaf 2.
Artikel 2.1.
Behoud in situ, planinpassing en visualisering
Onderdeel van Nota archeologie Boekel