Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk III. › Paragraaf 2.

Artikel 2.2.

Plangebied versus bodemverstorende ingreep

Onderdeel van Nota archeologie Boekel

Er is de laatste jaren nogal wat verwarring ontstaan over het gebruik van de term omvang plangebied in relatie tot de omvang van de feitelijke verstoring en de archeologische onderzoeksplicht. Dit heeft ertoe geleid dat veel archeologische beleidsadvieskaarten en beleidsnota’s op dit moment spreken van een omvang van plangebieden. Het is echter reëler om uit te gaan van de feitelijke omvang van de verstoring binnen een plangebied in relatie tot de onderzoeksplicht. In het belang van het bodemarchief, maar ook in het belang van de burger is het dus zinvoller om bij het bepalen van de onderzoeksverplichting uit te gaan van de feitelijke bodemverstoring en een maatschappelijk en archeologisch verantwoorde ondergrens voor onderzoek (proportionaliteitsbeginsel). De ondergrenzen voor oppervlakten zoals die in paragraaf 2.4 van deze nota zijn aangegeven, zijn dus gebaseerd op de omvang van het gebied waarbinnen de bodemverstorende ingreep plaatsvindt (inclusief de te verwachten bijkomende noodzakelijke verstoring van bijvoorbeeld kabels en leidingen7Bij het te berekenen verstoringsoppervlak bij de bouw van een huis, schuur of stal, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 5-10 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke qua verstoring mee te rekenen.). Indien de ondergrens overschreden wordt en archeologisch (voor)onderzoek dus noodzakelijk is, dient wel het gehele plangebied inventariserend onderzocht te worden. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is. Een vrijstelling van onderzoeksplicht betekent niet dat daarmee de eventuele dubbelbestemming verandert. Bij bestemmingsplanwijziging kan bovendien archeologie altijd (weer) als dubbelbestemming worden meegenomen. Uitgaande van de omvang van bodemverstoring voorkomt in veel gevallen dat bij relatief kleine (vaak particuliere) ingrepen ten opzichte van grote(re) plangebieden een onderzoeksplicht ontstaat voor het volledige plangebied, terwijl de feitelijke ontwikkeling misschien maar de bouw van één huis betreft. Beleidsregel 2. De gemeente Boekel hanteert de oppervlakte van de effectieve bodemverstorende ingrepen als uitgangspunt voor het bepalen van de archeologische onderzoeksverplichting binnen een plangebied. Dit houdt in dat indien de bodemverstorende ingreep de ondergrens overschrijdt, archeologisch (voor)onderzoek binnen het gehele plangebied noodzakelijk is.

Rechtspraak bij dit artikel