De bouwvoor heeft gemiddeld een dikte van 0,3 tot 0,5 m waaronder een eerste archeologisch sporenvlak bij een opgraving zichtbaar kan worden. Vanuit archeologisch perspectief zou een algemene vrijstelling van 0,3 m beneden maaiveld (-MV) misschien te verkiezen zijn. Een dergelijke beperking is echter maatschappelijk moeilijk uitvoerbaar (ook niet controleerbaar of te handhaven) en zou betekenen dat normaal bodemgebruik en zelfs het omspitten van de eigen tuin al snel vergunningplichtige activiteiten worden. De wet- en regelgeving, en dus ook het gemeentelijk archeologiebeleid, wil zich richten op die bodemingrepen die plaatsvinden in het kader van nieuwe bouw- of inrichtingsprojecten met grootschalig grondverzet en cultuurtechnische ingrepen die niet tot ‘normaal agrarisch bodemgebruik’ kunnen worden gerekend, zoals diepploegen, egaliseren, aspergeteelt, de aanleg van drainagesystemen en dergelijke. Deze ingrepen reiken in vrijwel alle gevallen dieper dan de bouwvoor en vallen in het agrarisch gebied derhalve niet binnen de vrijstellingsdrempel.
Met een vrijstellingsdiepte van 0,4 m beneden maaiveld (-MV) kan een balans verkregen worden tussen archeologisch verantwoord handelen en dat wat maatschappelijk en praktisch haalbaar is.
De gemeente Boekel hanteert voor de gebieden met een vastgestelde archeologische waarde of een hoge archeologische verwachtingswaarde (beleidscategorieën 1 t/m 4) een diepte- ondergrens van 0,4 m –mv. Voor de gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde (beleidscategorie 5) wordt een diepte-ondergrens van 0,5 m –mv gehanteerd.
Een aparte categorie vormen de bodemingrepen die een geleidelijk effect hebben op de dieper liggende archeologische resten. Het betreft dan met name die bodemingrepen die de afvoer van grond met zich meebrengt die niet opnieuw wordt aangevuld. Hierbij kan gedacht worden aan het afplaggen van heide in het kader van natuurbeheer en -ontwikkeling, (laan)bomenteelt, graszodenteelt, maar ook het aanbrengen van diepwortelende beplanting kan leiden tot een ongeziene en ongewenste verstoring van de archeologische resten zonder dat grondverzet plaatsvindt.
In dergelijke gevallen is het belangrijk in het kader van een vergunning eerst vast te stellen wat het effect van de ingreep (op de langere termijn) kan zijn op de eventueel aanwezige archeologische ondergrond. Dit dient te gebeuren door het vaststellen van de dikte van de bouwvoor of het beschermende akkerdek en de diepteligging van de archeologisch relevante laag met behulp van verkennende boringen en/of profielputjes.
Beleidsregel 3.
De gemeente Boekel hanteert een verstoringsdiepte van maximaal 0,4 dan wel 0,5 m beneden maaiveld. Ingrepen dieper dan de diepte-ondergrens zijn vanaf een gestelde oppervlakte-overschrijding onderzoeksplichtig (zie beleidsregel 4).
Daarnaast zijn ingrepen die een geleidelijk negatief effect kunnen hebben op de archeologie in de bodem maar -mogelijk- minder diep reiken dan 0,4 m beneden maaiveld altijd onderzoeksplichtig.