Een maatwerkvoorziening wordt geweigerd als deze reeds eerder is verstrekt en de normale afschrijvingsduur voor die voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder verleende voorziening geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen of tenzij de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Met de normale afschrijvingsduur wordt de economische levensduur bedoeld. De economische levensduur betekent niet dat de inwoner na het verstrijken daarvan voor een vervangende maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Indien de economische levensduur is verstreken, maar de maatwerkvoorziening nog passend is, bestaat geen aanspraak op een vervangende maatwerkvoorziening.
Bij een melding voor het vervangen van een voorziening wordt eerst onderzocht of de situatie van de inwoner is veranderd. Als dat niet het geval is, wordt bepaald of de verwachte normale afschrijvingsduur al dan niet is verstreken. Indien de normale afschrijvingsduur van een eerder verleende voorziening nog niet is verstreken wordt geen nieuwe voorziening verstrekt. Daarop zijn drie, in de Verordening opgenomen, uitzonderingen waarin wel een nieuwe voorziening kan worden verstrekt. Wanneer de medische situatie dusdanig is veranderd waardoor de voorziening niet meer passend is, kan een nieuwe voorziening worden toegekend. De afschrijvingsduur speelt in dit geval geen rol.
Afwezigheid langer dan 6 weken
De aanbieder informeert de gemeente als er sprake is van vakantie of opname in een ziekenhuis, verpleeg- of verzorgingshuis langer dan 6 weken. Tijdens vakantie van de inwoner wordt geen hulp geleverd. De inwoner verblijft dan niet in de woning.
Tijdens een opname wordt geen hulp geleverd als er sprake is van een alleenstaande. Als er vanaf het moment van indicatiestelling een partner, huisgenoot inwoont en/of kinderen inwonen, kan gedurende de eerste 6 weken de hulp ongewijzigd door worden geleverd. Duurt de opname langer dan 6 weken, dan moet er een indicatie op naam van de partner (huisgenoot of kinderen) worden aangevraagd. De hulp kan ongewijzigd worden voortgezet in afwachting van deze indicatie. De hulp bij het huishouden zal per opnamedatum worden beëindigd en vanaf die datum wordt een nieuwe indicatie gesteld op naam van de partner (of huisgenoot of kinderen)
Overlijden van inwoner
Als de inwoner is overleden wordt de hulp beëindigd. Als er vanaf het moment van indicatiestelling een partner inwoont en/of kinderen inwonen, kan gedurende de eerste 6 weken de hulp ongewijzigd door worden geleverd. Er moet een indicatie op naam van de partner worden aangevraagd. De hulp kan ongewijzigd voor 6 weken worden voortgezet zodat het onderzoek gedaan kan worden en een indicatie gesteld kan worden. De ingangsdatum van deze indicatie op naam van de partner (of huisgenoot of kinderen) zal worden gesteld op de datum van overlijden van de inwoner.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.3
Eerder verstrekte voorziening
Onderdeel van Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning