Het is normaal dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. De regering stapt af van het automatisme dat de overheid per definitie deze rol naar zich toetrekt, maar gaat niet zo ver om het sociaal netwerk te verplichten om ondersteuning te bieden waar dat mogelijk is.
De volgende vragen spelen een rol bij de vraag of de inzet van het sociaal netwerk leidt tot betere en effectievere ondersteuning en dus de meest adequate mogelijkheid is om in de hulpvraag te voorzien:
Is er sprake van een kind waarbij het bijvoorbeeld in verband met zorgcontinuïteit of de aard van de beperking, niet mogelijk of wenselijk is dat dit door een professional gedaan wordt?
Moet de hulp op ongebruikelijke tijden geleverd worden, is de hulp vooraf niet goed in te plannen, op veel korte momenten per dag of moet de hulp op verschillende locaties geboden worden?
Bij het afwegen van de grens aan eigen kracht en de overgang naar inzetten van een voorziening (betaling van het netwerk), wordt ook het belang van de beoogde ondersteuner om te voorzien in zijn/haar inkomen mee gewogen. Het is uitgangspunt is dat een pgb geen inkomensvoorziening is. De financiële situatie van de ouders/verzorgers kan wel een onderdeel vormen bij het in kaart brengen en beoordelen van de verschillende factoren bij de eigen kracht.
Hierbij staat centraal of de beoogde ondersteuner voldoende mogelijkheden heeft om naast de hulp die benodigd is voldoende inkomsten te genereren en zo niet, wat daarvan de aantoonbare gevolgen zijn. Ondersteunend aan deze beoordeling is de vraag of er financiële problemen ontstaan als de hulp door de ouder wordt geboden.