13.1 Geldigheidsduur beschikking en tussentijdse wijziging
Een besluit tot toekenning van een verstrekking heeft een maximale geldigheidsduur van twee jaar. Dit geldt voor zowel een verstrekking in natura als een verstrekking van een persoonsgebonden budget. Indien het gaat om een individuele voorziening die gericht is op stabilisatie en er is sprake van een situatie waarbij geen verbetering meer wordt verwacht, kan de beschikking voor een langere duur afgegeven worden, tot maximaal meerderjarigheid.
Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening pleegzorg wordt verstrekt tot 21 jaar, tenzij dat niet past bij het perspectief van de plaatsing.
Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening als bedoeld in het eerste lid kan tussentijds worden aangepast op basis van een door de jeugdhulpaanbieder gewijzigd hulpverleningsplan. De jeugd- en gezinswerker beoordeelt de noodzaak van een tussentijdse wijziging.
Een besluit tot toekenning van een individuele voorziening vervalt, indien de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen zes maanden hebben gemeld bij een aanbieder voor jeugdhulp.
Een reeds verstrekte voorziening kan worden ingetrokken of aangepast als er sprake is van wijzigingen in de persoonlijke situatie van betrokkene of als er sprake is van een beleidswijziging. In dat laatste geval zal een redelijke overgangstermijn in acht worden genomen.
13.2 Beëindiging of verlenging jeugdhulp
De jeugdige en/of ouder dan wel wettelijk vertegenwoordiger neemt acht weken voor de beoogde beëindiging van de hulp (telefonisch) contact op met de jeugd- en gezinswerker en met de aanbieder om te bespreken of verlenging van de ingezette hulp nodig is. Dit geldt tevens indien verlenging van jeugdhulp na meerderjarigheid noodzakelijk is. Als de cliënt zich minder dan acht weken voor afloop van de indicatieduur meldt, kan het zijn dat de nieuwe indicatie niet direct aansluit op de oude.
De jeugd- en gezinswerker zal in overleg met de jeugdige en/of ouder dan wel wettelijk vertegenwoordiger, aanbieder en eventuele andere betrokkenen een besluit nemen met betrekking tot de noodzaak tot verlenging van de hulp. Indien de hulp voortgezet moet worden, zal een nieuwe beschikking aan de ouder dan wel wettelijk vertegenwoordiger en/of jeugdige en een nieuwe opdrachtbevestiging aan de aanbieder verzonden worden. Het niet bereiken van de samen met de cliënt opgestelde doelen en termijnen kan een reden zijn om het pgb te (beëindigen dan wel) niet te verlengen.
Bij beëindiging of vermindering van de indicatie wordt indien nodig een redelijke overgangstermijn in acht genomen. Ditzelfde geldt als de indicatie wordt aangepast van pgb naar zorg in natura. Een overgangstermijn bedraagt maximaal zes maanden. Voor het bepalen van een overgangstermijn en de eventuele duur van die overgangstermijn wordt per individueel geval meegewogen of de wijziging op verzoek van de cliënt plaatsvindt, of de voorziening nog gebruikt wordt en in welke mate de cliënt afhankelijk is van de voorziening.