1. Het college subsidieert een uurtarief voor peuteropvang met een maximum van € 10,12 per uur.

2. Het college subsidieert per maand per bezette peuterplaats. Voor de in artikel 6 genoemde doelgroepen gelden de volgende maximale subsidiebedragen:

a. Voor de in artikel 6 lid 1 genoemde doelgroep bedraagt de maximale subsidie per bezette peuterplaats per jaar: 6 uren per week x maximaal € 10,12 per uur x 40 weken minus de geldende ouderbijdrage op basis van tabel 1 uit Bijlage 1.

b. Voor de in artikel 6 lid 2 genoemde doelgroep bedraagt de maximale subsidie per bezette peuterplaats voor 1,5 jaar 960 uur x maximaal € 10,12 x minus de geldende ouderbijdrage voor de eerste 6 uur aangeboden VVE op basis van tabel 1 uit Bijlage 1.

3. Als de ouderbijdrage minder dan 12 keer per jaar in rekening wordt gebracht, dan vindt op bovenstaande berekeningen uit de tekst sub a en b een correctie plaats in de vorm van een aanpassing van de 12 maanden factor.

4. Het definitieve subsidiebedrag wordt na afloop van de subsidieperiode, op basis van de gegevens uit de eindrapportage van de houder, inclusief het ingevulde rapportageformat ‘eindrapportage Peuteropvang 2023’, door het college vastgesteld. Deze vaststelling vindt plaats op basis van het werkelijke aantal bezette peuterplaats (daaronder wordt hier begrepen het aantal afgenomen uren per werkelijk bezette peuterplaats (regulier en VVE), het gehanteerde uurtarief, en de totaal in rekening gebrachte ouderbijdragen en kan een terugvordering tot gevolg hebben als houder minder bezette peuterplaats heeft gerealiseerd dan het aantal waarop de hoogte van de subsidieverlening was gebaseerd.