Belastinggebied
De gemeenten zijn voor een belangrijk deel van hun inkomsten afhankelijk van uitkeringen van het Rijk. Ondanks de verdeelsleutels is het niet mogelijk om de financiële middelen volledig aan te laten sluiten op de gemeentelijke taken. Voor de vele taken die gemeenten uitvoeren is een eigen belastinggebied van groot belang. Een eigen belastinggebied biedt ook de mogelijkheid om keuzes te maken in de verdeling van de inkomsten op basis van lokale voorkeuren.
Het lokale belastinggebied is een onderwerp dat regelmatig terugkeert op de politieke agenda.
In 2015 kondigde het Rijk destijds een belastingherziening aan. Grote veranderingen in lokale heffingen hebben zich sinds die tijd niet voorgedaan en de richting is niet eenduidig: tegenover het verdwijnen van de macronorm voor de OZB (minder Rijksbemoeienis) staat het afschaffen van de precario op ondergrondse leidingen (verkleinen gemeentelijk belastinggebied). In het coalitieakkoord van het huidige kabinet is nu het volgende opgenomen: “Om een stabielere financiering voor de medeoverheden te realiseren en hun autonomie te vergroten, wordt in de komende jaren een nieuwe financieringssystematiek voor de periode na 2025 uitgewerkt, waarbij de mogelijkheid voor een groter eigen belastinggebied wordt betrokken. Daarbij worden ook alternatieven voor de OZB en MRB in de beschouwing betrokken.” Daarmee is de discussie over een ruimer (lokaal) belastinggebied weer actueel. Uitbreiding kan echter in 2026 (inzet coalitieakkoord) slechts aan de orde komen als aan de geformuleerde randvoorwaarden is voldaan. Daarbij vormen met name ‘de financiële verhoudingen op orde’ en 'geen verhoging van de lastendruk’ harde ijkpunten.
Amendement Omtzigt
De Gemeentewet maakt voor de OZB onderscheid tussen woningen en niet-woningen. Eigenaren van woningen worden in de OZB-eigenarenheffing betrokken, de gebruikers van woningen betalen geen OZB en de eigenaren en gebruikers van niet-woningen betalen respectievelijk de OZB eigenaren niet-woning en gebruikersheffing niet-woning. Beide tarieven voor niet-woningen zijn hoger dan het eigenarentarief voor woningen. Sportvelden, dorpshuizen, sportkantines, dorps- en buurthuizen worden voor de OZB aangemerkt als niet-woning en worden dienovereenkomstig in de belastingheffing betrokken. Een aantal gemeenten compenseert buiten de belastingheffing om de OZB geheel of gedeeltelijk of overweegt dit te doen.
In het Belastingplan 2019 is het zogenaamde amendement Omtzigt opgenomen waardoor artikel 220f van de Gemeentewet per 1 januari 2019 is gewijzigd in die zin dat voor - nader door de gemeente te bepalen - sociaal behartigende instellingen niet de hoge niet-woning tarieven kunnen gelden, maar het woningtarief.
In de OZB-verordening van een gemeente kan (het amendement biedt de mogelijkheid om dit te doen, het is niet verplicht) een bepaling opgenomen worden strekkende tot het toepassen van het woningtarief voor nader te bepalen onroerende zaken.
De toelichting op het amendement en de wettekst zijn op onderdelen tegenstrijdig en niet duidelijk.
Op 30 mei 2022 heeft minister Bruins Slot (BZK) in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat een lager ozb-tarief voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere sociaal belang behartigende instellingen moeilijk is te realiseren via een wettelijke regeling. Uit overleg met gemeenten is geconstateerd dat er bij deze fiscale mogelijkheid zwaarwegende praktische uitvoerings- en toepassingsvraagstukken spelen, met betrekking tot de afbakening, die niet eenvoudig op te lossen zijn. Daarom geeft de minister opdracht tot een extern onderzoek. Aan dit onderzoek zullen het Rijk, de VNG en gemeenten deelnemen. Het college volgt de ontwikkelingen uiteraard met aandacht en zal op een later moment een afweging maken over de toepassing van de wettelijke mogelijkheden.
De omgevingswet en leges
Op 1 juli 2023 treedt de nieuwe Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (WKB) in werking. Hierdoor kan er veel veranderen. Dit is sterk afhankelijk van de lokale ambities, beleidsinvulling en inrichtingskeuzes. Het principe van legesheffing verandert niet. Ook de wettelijke grondslag voor het heffen van leges verandert niet. Toch zijn er een aantal zaken die wel gaan veranderen:
Nieuwe activiteiten toegestaan om leges over te heffen
(Mogelijk) minder vergunningplichten
De ‘knip’: het splitsen van de bouwtechnische en de ruimtelijke vergunning
Gemeentelijke kosten worden hoger of lager
Gemeentelijke kosten verschuiven
Meer integrale vergunningen (meerdere gezagen betrokken)
Planactiviteiten worden minder complex (of juist complexer)
De VNG vraagt met de notitie 'Discussie-leidraad leges en de stelselwijziging Omgevingswet' aandacht voor het onderwerp en het belang voor gemeenten om hier - op basis van de eigen keuzes - over na te denken.
Waterzorgheffing
Wateroverlast en verdroging vragen steeds meer maatregelen in de publieke ruimte. Meer percelen kunnen in de heffing worden betrokken, want van de maatregelen in de publieke ruimte heeft iedereen profijt. De huidige verordening Rioolheffing (model VNG) dekt dan niet meer de lading.
Het schept een beeld van een belasting voor een buizenstelsel. Bij belastingplichtigen die daar niet op zijn aangesloten roept dat weerstand op. De gemeentelijke watertaken omvatten een breed palet. Zorgplichten voor afval-, hemel- en grondwater hebben een centrale plaats in de ordening van de publieke ruimte. Gemeenten moeten maatregelen nemen om wateroverlast en -schade te voorkomen. Denk aan het onderhoud van bermen en slootkanten om overtollig water af te voeren, zodat er over een droge weg kan worden gereden. Iedereen heeft daar profijt van. De VNG heeft hiervoor een nieuw modelverordening Riool- en Waterzorgheffing opgesteld. Bij invoering is een zorgvuldige communicatie en belangenafweging naar nieuwe belastingplichtigen van belang. Bijvoorbeeld cultuurgronden en natuurterreinen dragen nu veelal nog niet bij in de kosten van de gemeentelijke watertaken.
Lokale kwijtschelding
De Tweede Kamer heeft in de afgelopen kabinetsperiode drie moties aangenomen over verruiming van de vermogensnorm bij kwijtschelding van de lokale belastingen. Samengevat is aan het Kabinet gevraagd om (1) een extra financiële vermogensbuffer voor AOW’ers toe te staan, (2) een simpelere toets voor AOW’ers en (3) het verhogen van alle relevante vermogensnormen tot maximaal de vermogensnorm in de Participatiewet. De minister schrijft in een brief aan de Kamer dat daarvan één motie uitgevoerd wordt. Gemeenten en waterschappen mogen voor de groep AOW-gerechtigden en volledig arbeidsongeschikten per 1 januari 2022 de vermogensnorm met maximaal € 2.000 ophogen. Hiertoe is op 17 september 2022 de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden in werking getreden. De Gemeenteraad c.q. het Algemeen Bestuur van het waterschap mag nu voor de groep AOW-gerechtigden en volledig arbeidsongeschikten besluiten om per 1 januari 2022 de (financiële) vermogensnorm met maximaal € 2.000 op te hogen.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3
Rijksontwikkelingen
Onderdeel van Nota Lokale heffingen 2022-2025 gemeente Enschede